►Hoofdstuk
I: Het grondideaal: liefde en gemeenschap
►Hoofdstuk II:
Gebed en gemeenschap
►Hoofdstuk
III: Gemeenschap en zorg voor het lichaam
►Hoofdstuk IV:
Gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor elkaar
►Hoofdstuk V:
Onderlinge dienstverlening
►Hoofdstuk
VI: Liefde en conflict
►Hoofdstuk VII:
Liefde in gezag en gehoorzaamheid
►Hoofdstuk VIII:
Slotaansporing
Geliefde broeders,
Eerst en vooral moet onze liefde gericht zijn op God, daarna op de evenmens.
Daarin bestaat immers onze voornaamste opdracht.
Hoofdstuk I: Het grondideaal: liefde en gemeenschap
1 U die een kloostergemeenschap vormt, dragen wij op het
volgende na te leven.
2 Allereerst moet u eensgezind tezamen wonen
één van ziel en één van hart
op weg naar God. Want is dat juist niet de reden waarom u samen bent gaan leven?
3 Bij u mag er geen sprake zijn van persoonlijk eigendom.
Zorg er integendeel voor dat alles onder u gemeenschappelijk is. Uw overste moet
ieder van voedsel en kleding voorzien. Niet dat hij iedereen evenveel moet
geven, want u bent niet allen even sterk maar aan elke persoon moet gegeven
worden wat hij persoonlijk nodig heeft. Zo leest u immers in de Handelingen van
de Apostelen: «Zij bezaten alles gemeenschappelijk en ieder kreeg wat hij nodig
had».
4 Zij, die in de wereld iets bezaten, moeten er prijs op
stellen dat dit, bij hun intrede in het klooster, van de gemeenschap wordt.
5 Maar die niets bezaten, moeten in het klooster niet gaan
streven naar datgene wat zij daarbuiten niet konden bereiken, wel moet men hun
zwakheid tegemoet komen door hen alles te verschaffen wat zij nodig hebben, ook
al waren zij vroeger zo arm dat zij niet eens over het allernoodzakelijkste
konden beschikken. Zij mogen zich echter niet gelukkig prijzen om het feit dat
zij nu voedsel en kleding vinden, die tevoren buiten hun bereik lagen.
6 Zij mogen er evenmin groot op gaan dat zij nu omgang
hebben met mensen die zij vroeger niet durfden te benaderen, maar hun hart moet
naar het hogere zoeken en niet naar aardse schijn. Indien in de kloosters rijke
mensen nederig en arme mensen verwaand worden, dan zouden de kloosters alleen
maar van nut blijken voor rijke mensen, maar niet voor arme.
7 Van de andere kant mogen zij die in de wereld iets
schenen te betekenen, niet uit de hoogte neerzien op hun broeders die vanuit een
armoedig bestaan tot deze religieuze gemeenschap zijn toegetreden. Zij moeten er
veeleer voor zorgen trots te gaan op het samenleven met arme broeders dan op de
maatschappelijke rang van hun rijke ouders. Ook mogen zij geen hoge dunk van
zichzelf hebben omdat zij een deel van hun vermogen ter beschikking van de
gemeenschap gesteld hebben. Anders zou de nietige mens nog meer ten prooi vallen
aan hoogmoed door de gemeenschap in zijn rijkdom te laten delen dan door er zelf
in de wereld van te genieten. Want terwijl iedere ondeugd tot uiting komt in het
stellen van slechte daden, bedreigt de hoogmoed bovendien zelfs goede daden om
deze te vernietigen. En wat voor zin heeft het zijn eigen bezit aan de armen uit
te delen en zelf arm te worden, wanneer afstand doen van rijkdom iemand
hoogmoediger zou maken dan het bezitten van een fortuin?
8 Leef dus allen één van ziel en één van hart samen en eer in elkaar God, want ieder van u is Zijn tempel geworden.
Hoofdstuk II: Gebed en gemeenschap
1 Volhard trouw in het gebed
op de vastgestelde uren en tijden.
2 De gebedsruimte mag nergens anders voor gebruikt worden
dan waarvoor zij bestemd is; want zij draagt die naam niet voor niets. Dan kan
ieder, die misschien ook buiten de vastgestelde uren wil bidden, er in zijn
vrije tijd terecht zonder gestoord te worden door iemand die daar eigenlijk
niets te maken heeft.
3 Wanneer u in psalmen en liederen tot God bidt, moeten de
woorden die u uitspreekt ook in uw hart leven.
4 Houd u bij het zingen aan de tekst en zing niet wat niet
bestemd is om gezongen te worden.
Hoofdstuk III: Gemeenschap en zorg voor het
lichaam
1 Bedwing uw lichaam door vasten en onthouding van eten en
drinken voor zover uw gezondheid het toelaat. Wie niet zonder voedsel kan tot de
hoofdmaaltijd, die tegen de avond plaats heeft, mag tevoren iets gebruiken, maar
alleen rond het middaguur; zieken echter mogen altijd iets gebruiken.
2 Luister van het begin tot het eind van de maaltijd naar
de gebruikelijke lezing zonder lawaai te maken of te protesteren tegen de H.
Schrift. Want u moet niet alleen uw gewone honger stillen, maar ook hongeren
naar het Woord van God.
3 Sommigen zijn zwakker ten gevolge van een andere
opvoeding. Als er voor hen aan tafel een uitzondering gemaakt wordt, behoren de
overigen die vanwege een andere levenswijze sterker zijn, dat niet kwalijk te
nemen of onrechtvaardig te vinden. Zij moeten niet denken dat de anderen
gelukkiger zijn, omdat die beter voedsel krijgen dan zijzelf. Zij moeten er
eerder blij om zijn dat zij tot iets in staat zijn wat de anderen niet
aankunnen.
4 Sommigen waren voor hun intrede een comfortabel leven
gewend en ontvangen daarom wat meer voedsel of kleren, een beter bed of meer
dekens. De anderen die sterker en dus gelukkiger zijn, krijgen dat niet. Maar
besef dan wel hoeveel die medebroeders nu moeten missen vergeleken bij hun
vroegere levensomstandigheden, ook al kunnen ze niet dezelfde soberheid
opbrengen als zij die lichamelijk sterker zijn. Niet iedereen moet willen hebben
wat hij een ander meer ziet krijgen; dat gebeurt immers niet om iemand voor te
trekken, maar alleen om hem te ontzien. Anders zou in het klooster de
verwerpelijke wantoestand ontstaan dat de armen een gemakkelijk leventje gaan
leiden, terwijl de rijken zich alle mogelijke inspanningen getroosten.
Zieken moeten vanzelfsprekend aangepast voedsel krijgen;
anders zou men de ziekte verergeren. Eenmaal beter, moeten zij goed verzorgd
worden zodat ze zo vlug mogelijk herstellen, ook al behoorden zij vroeger tot de
armste klasse van de maatschappij. Tijdens de herstelperiode moeten zij
hetzelfde ontvangen als wat de rijken toegestaan wordt vanwege hun vroegere
levenswijze. Maar wanneer zij weer op krachten gekomen zijn, moeten ze opnieuw
gaan leven zoals vroeger, toen ze gelukkiger waren omdat ze minder nodig hadden.
Hoe soberder een levenswijze, hoe beter zij past bij dienaren van God.
Als een zieke genezen is, moet hij er voor oppassen niet de
slaaf te worden van eigen genoegens: hij moet weer afstand kunnen doen van de
voorrechten die zijn ziekte meebracht. Degenen die het gemakkelijkst sober
kunnen leven, zullen zich de rijkste mensen achten. Want weinig nodig hebben is
beter dan veel bezitten.
Hoofdstuk IV: Gemeenschappelijke
verantwoordelijkheid voor elkaar
1 Ga niet opvallend gekleed. Probeer niet door uw kleding
in de smaak te vallen, maar door uw levenshouding.
2 Als u uitgaat, ga dan niet alleen en blijf bijeen als u
op de plaats van bestemming bent gekomen.
3 Uw gaan en staan, heel uw gedrag mag niemand aanstoot
geven, maar moet in overeenstemming zijn met een heilige levenswijze.
4 Wanneer u een vrouw ziet, blijf haar niet uitdagend
aankijken. Natuurlijk kan niemand u verbieden vrouwen te zien, maar wel is het
verkeerd een seksuele begeerte naar een vrouw te koesteren of te willen dat zij
u begeert,
Want niet alleen een gebaar van genegenheid, ook de ogen wekken in man en vrouw
de begeerte naar elkaar.
Zeg dus niet dat uw innerlijke houding goed is, als uw ogen
begeren haar te bezitten, want het oog is de bode van het hart. En als men
elkaar zijn verkeerde bedoelingen laat blijken, ook zonder woorden, alleen maar
door naar elkaar te kijken, en men genot vindt in elkaars hartstocht, al is het
niet in elkaars armen, dan is er van echte reinheid, namelijk die van het hart,
al geen sprake meer.
5 Trouwens wie zijn ogen niet van een vrouw af kan houden
en graag haar aandacht trekt, moet niet denken dat anderen dit niet zien.
Natuurlijk zien zij het; zelfs mensen van wie je het niet verwacht, merken het.
Maar al blijft het verborgen en ziet geen mens het, wat dan te beginnen met God
die het hart van elke mens kent
en voor wie niets verborgen is? Of moet men denken.' «God ziet het niet»omdat Hij naarmate Zijn wijsheid die van mensen te boven gaat, ook meer geduld
tegenover de mens aan de dag legt? Een religieus moet bang zijn God in Zijn
liefde te krenken;
omwille van deze liefde moet hij bereid zijn een zondige liefde tot een vrouw op
te geven. Wie bedenkt dat God alles ziet, zal geen vrouw met zondige gevoelens
willen aankijken. Want door het woord van de Schrift «De Heer verafschuwt een
begerig oog»
wordt ons juist op dit punt ontzag voor Hem op het hart gedrukt.
6 Weet u daarom verantwoordelijk voor elkaars zuiverheid,
als u in de kerk samen bent of overal elders waar u in het gezelschap van
vrouwen bent. Dan zal God die in u woont,
door uw verantwoordelijkheid voor elkaar, over u waken.
7 Als u deze uitdagende blik waarover ik spreek bij een
medebroeder opmerkt, waarschuw hem dan terstond, opdat het eenmaal begonnen
kwaad niet erger wordt, maar hij zijn gedrag zo snel mogelijk betert.
8 Ziet men hem na zo'n waarschuwing, of wanneer dan ook,
toch weer hetzelfde doen, dan moet ieder die dat merkt hem beschouwen als een
zieke die een behandeling nodig heeft. Het staat dan niemand meer vrij te
zwijgen. Maar eerst moet u één of twee andere personen op de hoogte brengen om
hem met zijn tweeën of drieën van zijn fout te kunnen overtuigen
en met gepaste gestrengheid tot de orde te roepen. U mag niet denken dat u
handelt uit kwaadwilligheid door dit te doen. Integendeel, u laadt schuld op
uzelf als u door te zwijgen uw broeders hun ondergang tegemoet laat gaan,
terwijl u hen op de goede weg zou kunnen brengen door te spreken. Stel
bijvoorbeeld dat uw broeder een lichamelijke wonde had en die uit vrees voor een
medische behandeling verborgen wilde houden. Zou het dan niet harteloos zijn er
over te zwijgen? En zou het daarentegen niet van medeleven getuigen dit bekend
te maken? Hoeveel groter is dan niet uw plicht iemands toestand bekend te maken
wanneer u daarmee kunt beletten dat het kwaad het hart van uw broeder verder
aantast, wat veel erger is.
9 Wil hij niet luisteren naar uw waarschuwing, dan moet men
eerst de overste erbij betrekken voor een gesprek onder vier ogen, om zo de
anderen er buiten te houden. Luistert hij dan nog niet, dan mag u er anderen bij
halen om hem van zijn fout te overtuigen. Want als hij blijft ontkennen, dan
moet men er buiten zijn weten anderen bij betrekken om hem in tegenwoordigheid
van allen met meerdere personen op zijn fouten te kunnen wijzen,
omdat twee of drie personen eerder iemand kunnen overtuigen dan één.
Is zijn schuld eenmaal bewezen dan moet de overste of de
priester onder wiens gezag het klooster valt, oordelen welke straf hij moet
ondergaan ter verbetering. Wanneer hij weigert zich daaraan te onderwerpen, moet
hij uit uw gemeenschap weggestuurd worden, ook wanneer hijzelf niet heen wil
gaan. Ook dit gebeurt niet uit harteloosheid, maar uit liefde, want daardoor
voorkomt men dat hij anderen door zijn slechte invloed te gronde richt.
10 Wat ik gezegd heb over het begerig kijken naar vrouwen,
geldt ook voor alle andere zonden. Dezelfde gedragslijn moet u nauwgezet en
trouw volgen bij het ontdekken, het verhinderen, het aan het licht brengen, het
bewijzen en het bestraffen van andere fouten; wel met liefde voor de mensen,
maar met afkeer van hun fouten.
11 Als iemand spontaan bekent dat hij zover op het
verkeerde pad geraakt is, dat hij in het geheim van een vrouw brieven ontvangt
of cadeautjes aanneemt, dan moet men hem sparen en voor hem bidden. Maar wordt
hij betrapt en schuldig bevonden, dan moet hij ernstig bestraft worden naar het
oordeel van de priester of de overste.
Hoofdstuk V: Onderlinge dienstverlening
1 Uw kleren moeten door één of meerdere personen
gemeenschappelijk beheerd worden; zij zullen ervoor zorgen ze te luchten en
motvrij te houden. Zoals uw eten uit één keuken komt, zo moeten uw kleren uit
één linnenkamer komen. En indien dat mogelijk is, moet het u eigenlijk weinig
kunnen schelen welke zomer- of winterkleding u krijgt. Het maakt toch niets uit
of u hetzelfde terugkrijgt als u afgegeven hebt, of iets dat door een ander
gedragen is Als iedereen krijgt wat hij nodig heeft.
Wanneer dit jaloersheid en ontevredenheid wekt, of wanneer iemand gaat klagen
iets gekregen te hebben dat minder goed is dan hij eerst had, en het beneden
zijn stand acht kleren te dragen die een ander gedragen heeft, is dat dan geen
les voor u? Als u om uw uiterlijk onenigheid krijgt, is dat geen bewijs dat er
innerlijk nog heel wat ontbreekt aan de houding van uw hart? Maar ook wanneer u
dit niet kunt opbrengen en men ontziet u op dit punt door uw eigen kleren terug
te bezorgen, bewaar ze dan nog op één plaats, waar anderen er zorg voor dragen.
2 De bedoeling van dit alles is: dat niemand in zijn werk
eigen voordeel zoekt Alles moet gebeuren in dienst van de gemeenschap en met
meer ijver en meer geestdrift dan wanneer ieder voor zichzelf en zijn eigen
belang zou werken. Want over de liefde staat geschreven dat «zij niet het eigen
belang zoekt»,
dat wil zeggen dat zij het gemeenschappelijke boven het eigen belang stelt en
niet omgekeerd. Het feit dat u meer zorg aan de dag legt voor het belang van de
gemeenschap dan voor uw eigen belang, is daarom een criterium voor uw
vooruitgang. Zo zal zich in alles wat de voorbijgaande nood van de mens betreft,
iets blijvends en verhevens openbaren, namelijk de liefde.
3 Hieruit volgt tevens dat een kloosterling die van zijn
ouders of familieleden kleren of andere nuttige dingen krijgt, deze niet stiekem
voor zichzelf mag houden. Hij moet ze ter beschikking van de overste stellen.
Eenmaal gemeenschappelijk bezit geworden, moet de overste deze zaken geven aan
wie ze nodig heeft
.
4 Als u uw kleren wilt wassen of laten wassen in een
wasserij, zal dit gebeuren in overleg met de overste om te voorkomen dat een
overdreven verlangen naar schone kleren uw karakter ontsiert.
5 Publieke baden mogen om gezondheidsredenen nooit
geweigerd worden. Volgt in deze zonder tegenspraak het medisch advies van de
dokter. En al zou iemand het niet willen, dan moet hij het toch doen, desnoods
op bevel van de overste, omdat het nodig is voor zijn gezondheid. Maar wil
iemand gaan baden alleen omdat hij het fijn vindt, terwijl het echt niet nodig
is, dan moet hij van eigen wensen afstand kunnen doen. Want wat prettig is, is
nog niet altijd goed. Wat prettig is, kan ook schadelijk zijn.
6 Hoe het ook zij, als een medebroeder zegt dat hij zich
niet goed voelt, ook al manifesteert de ziekte zich nog niet, geloof hem dan
zonder meer. Maar als u er niet zeker van bent of de verzorging die iemand wil
hebben, Iets zal uithalen, roep er dan een dokter bij.
7 Zorg dat u altijd met twee of meer bent om naar een
publieke badinrichting te gaan. Dat geldt trouwens ook als u ergens anders heen
moet. En kies dan niet zelf de personen uit die met u mee zullen gaan, maar laat
de overste beslissen wie met u mee zal gaan.
8 De gemeenschap moet iemand aanwijzen om voor de zieken te
zorgen. Deze persoon moet tevens zorgen voor hen die aan de beterende hand zijn
en voor degenen die zwak zijn, ook al hebben zij geen koorts. De ziekenverzorger
kan voor hen uit de keuken halen wat hijzelf nodig oordeelt.
9 Wie de zorg heeft voor voedsel, kleren of boeken moet
zonder mopperen zijn medebroeders van dienst zijn.
10 De boeken kunt u dagelijks op een vastgestelde tijd gaan
halen; buiten die tijd zijn ze niet beschikbaar.
11 Wie daarentegen verantwoordelijk is voor kleren en
schoenen, mag niet uitstellen ze te geven aan hen die ze nodig hebben.
Hoofdstuk VI: Liefde en conflict
1 Maak geen ruzie, maar als u ruzie hebt, maak er dan zo
spoedig mogelijk een eind aan. Anders groeit een klein moment van woede uit tot
haat, wordt een splinter een balk
en maakt u van uw hart een moordkuil. Want er staat geschreven: «Ieder die zijn
broeder haat is een moordenaar»
.
2 Als u iemand gekwetst hebt door hem uit te schelden, te
verwensen of grof te beschuldigen, denk er dan aan het kwaad dat u aangericht
hebt zo vlug mogelijk te herstellen door uw verontschuldigingen aan te bieden.
En de ander die gekwetst werd moet op zijn beurt aan u vergiffenis schenken
zonder er veel woorden aan vuil te maken. Als twee medebroeders elkaar beledigd
hebben, moeten zij elkaar hun schuld vergeven
;
anders wordt uw bidden van het Onze Vader een leugen. Trouwens hoe meer u bidt,
hoe eerlijker uw gebed behoort te zijn. Men kan beter te doen hebben met iemand
die vlug kwaad wordt, maar het meteen weer goed maakt, zo gauw hij beseft dat
hij een ander onrecht heeft aangedaan, dan met iemand die minder opvliegend is,
maar er moeilijk toe overgaat zijn verontschuldigingen aan te bieden. Wie echter
nooit vergiffenis wil vragen, of het niet van harte doet
,
hoort niet thuis in een klooster, ook al wordt hij niet weggezonden.
Pas dus op voor harde woorden. Als ze u toch ontvallen
zijn, wees dan niet bang het genezende woord te spreken met dezelfde mond die de
wonde toebracht.
3 Het kan echter gebeuren dat de noodzakelijke zorg voor de
goede gang van zaken iemand van u dwingt harde woorden te gebruiken tegenover
minderjarigen om hen tot de orde te roepen. In dat geval wordt van u niet
verlangd dat u hen daarvoor vergiffenis vraagt, ook al hebt uzelf het gevoel dat
u daarin te ver bent gegaan. Want als u zich tegenover deze jongeren door
overdreven nederigheid te onderdanig gaat gedragen, doet dit afbreuk aan het
gezag dat hen leiding moet geven en waaraan zij zich moeten onderwerpen. In
zulke omstandigheden moet u wel vergiffenis vragen aan de Heer van allen die
weet hoeveel u van uw medebroeders houdt, ook van hen die u misschien te streng
hebt aangepakt. Uw liefde voor elkaar mag niet in eigenliefde blijven steken; ze
moet geleid worden door de Geest.
Hoofdstuk VII: Liefde in gezag en gehoorzaamheid
1 Gehoorzaam aan uw overste
als aan een vader, maar ook met de achting die u hem verschuldigd bent omwille
van zijn taak, anders misdoet u tegen God in hem. Dat geldt nog meer voor de
priester die voor u allen zorg draagt.
2 Het komt in de eerste plaats de overste toe er voor te
zorgen dat men alles, wat hier gezegd is, ook naleeft en dat men overtredingen
niet achteloos voorbijgaat. Het is zijn taak op fouten te wijzen en ze te
verbeteren. Wat zijn bevoegdheid of kracht te boven gaat, zal hij voorleggen aan
de priester wiens gezag in bepaalde opzichten groter is dan het zijne.
3 Wie een overheidsfunctie heeft moet zijn geluk niet
zoeken in de macht waarmee hij kan domineren
,
maar in de liefde waarmee hij dienstbaar kan zijn
.
Door uw achting zal hij uw meerdere zijn; door zijn verantwoordelijkheid
tegenover God zal hij zich de minste van allen weten. Voor allen moet hij een
voorbeeld zijn in goede werken
:
hij zal hen die hun werk verwaarlozen terechtwijzen, de moedelozen moed geven,
de zwakken steunen, met allen geduld hebben
Hij moet zelf de richtlijnen van de gemeenschap in ere houden en er eerbied voor
vragen bij anderen. Hij moet er meer op uit zijn door u bemind dan gevreesd te
worden, hoewel liefde en ontzag tegelijk noodzakelijk zijn. Steeds moet hij
bedenken dat hij voor u verantwoordelijk is tegenover God
,
4 Door liefdevol te gehoorzamen bewijst u niet alleen
medelijden te hebben met uzelf
,
maar ook met uw overste. Want ook voor uw gemeenschap geldt: hoe hoger men
geplaatst is, hoe meer gevaar men loopt.
Hoofdstuk VIII: Slotaansporing
1 De Heer geve dat u, gegrepen door het verlangen naar
geestelijke schoonheid
,
dit alles met liefde onderhoudt. Leef zo dat u door uw leven het levenwekkend
aroma van Christus verspreidt
,
Ga niet als slaven gebukt onder de wet, maar leef als vrije mensen onder de
genade
2 Eens in de week moet dit boekje voorgelezen worden. Het
is als een spiegel: u kunt er in zien of u niets verwaarloost of vergeet
.
En als u vindt dat u beantwoordt aan wat er staat, dank dan de Heer, de gever
van alle goed. Bemerkt iemand echter dat hij in gebreke gebleven is, dan moet
hij betreuren wat voorbij is en of zijn hoede zijn voor de toekomst. Hij moet
bidden: Vergeef mijn schuld en leid mij niet in bekoring
.
Voetnoten
|