Niet wel ter tale
Pieter Butz
Mozes ontmoet de Eeuwige bij het brandende braambos en krijgt de opdracht de Israeliëten uit Egypte te leiden, op weg te gaan naar het Beloofde land. U vindt dit verhaal in het boek Exodus 3 en 4. Mozes ziet heel begrijpelijk erg op tegen deze opdracht. Het zal hem in keiharde confrontatie brengen met de farao, de machtigste man uit die tijd. Mozes kent het leven voldoende om te weten dat het met grote heren kwaad kersen eten is. Hij vreest voor zijn leven, wil zich aan zijn opdracht onttrekken. Tal van bezwaren voert hij aan, maar die worden successievelijk door de Eeuwige ontkracht. Mozes rest nog één argument om zich uit de voeten te maken. En dan lees ik in de Staten Vertaling: Heer, ik ben geen man wel ter tale. In modern Nederlands: Ik kan nooit de juiste woorden vinden. Dus God: Zoek maar een ander.
Ik moest aan dit verhaal denken toen ik onlangs het verzoek kreeg een stel jongelui rond te leiden in onze abdij. Het waren mensen uit een van de meest behoudende dorpen in ons land, zeer rechts, zeer orthodox en zeer bijbelvast. Maar ook zeer vriendelijk en luisterbereid. Ze waren geïnteresseerd in ons leven, in de kloosterregels en in ons bestaan. Alles wat ik vertelde, werd met grote welwillendheid aangehoord. Geen enkele bedenking tegen het kloosterleven noch tegen de paus of de Rooms-Katholieke leer kwam over hun lippen. Het was alsof ze even binnen keken in een andere wereld en dat wel boeiend vonden. Ik kreeg het gevoel dat ik gezien werd als een soort Mars-mannetje. Totdat ik mij aan het einde van de excursie liet ontvallen dat ik protestants ben, maar geheel opgenomen in de gemeenschap. Als in een flits zag ik de groep veranderen. Een meisje stelde de vraag hoe ik in zo’n omgeving kon leven? En een ander kwam onmiddellijk met Maria aan. Hoe kon ik daarin geloven?! En wat vond ik dan wel van het feit dat de Roomsen heiligen aanbidden? Daar kon ik als protestant toch nooit aan meedoen! Dat had toch allemaal weinig met de bijbel te maken!
Kan ik mij meestal aardig redden als bezoekers vragen stellen, heb ik meestentijds mijn woordje wel klaar, ditmaal voelde ik me als Mozes. Wat moest ik antwoorden? Een glad verhaal, mooie devotionele woorden bedenken? Moest ik fel in verweer gaan en zeggen dat de geschiedenis bewijst dat Luther en Calvijn het bij het verkeerde end hebben? Protesteren tegen deze onbeschaamde vragen over mijn privé-leven? Of zou ik meebuigen als een riet in de wind en de vraagstelsters antwoorden dat het inderdaad moeite kostte om tot Maria, tot de heiligen te bidden. Maar dat ik me nu eenmaal thuis voelde in Berne en de heiligen maar op de koop toe nam? Dat ik dus eigenlijk mijn oude geloof verloochende omwille van mijn eigen emotie? Ik zag aan de gespannen gezichten dat deze jong-volwassenen een eerlijk antwoord verwachtten, geen gedraai. Misschien wel een antwoord op hun eigen vragen. Niet voor niets waren ze immers naar een klooster gekomen, naar een leefgemeenschap die mijlen ver van hun eigen leefwereld afligt. Ik kon niet volstaan met nietszeggende prietpraat. Ik zag de verwachting. Tegelijkertijd voelde ik mijn onmacht, mijn gebrek aan het goede woord. Ik wist mij Mosje, niet wel ter tale.
Maar daar dwars doorheen voelde ik het antwoord in mij, alsof ik een duwtje in de rug kreeg. Ik vroeg hun wat ze in hun kerk zongen? Stomme vraag, de psalmen natuurlijk! Maar wisten ze dat achter die psalmen ook in hùn reformatorisch kerkboek het lied van Maria stond, het Magnificat, rechtstreeks ontleend aan de bijbel. En dat in dat lied de regel voorkwam dat de zorg van de HEERE God uitgaat naar de kleinen, de geringen, de mensen die in onze samenleving niets te vertellen hebben, niets in de melk kunnen brokkelen, de eigenlijke slachtoffers van iedere kredietcrisis. God bekommert zich niet om de machthebbers, de praatjesmakers, de mensen die de lakens uitdelen. Die zorgen wel voor zichzelf. Juist in de zorg voor een eerlijke wereld ligt onze levensopdracht; heel simpel, geen misverstand mogelijk. Maar tegelijkertijd oneindig moeilijk omdat we er niet aan willen. Waar kies je voor?! Voor het ‘ikke is ikke en de rest kan stikke’ Of voor de ander? Bij die moeilijkste keus in je leven speelt het geen rol of je nu Rooms of Calvinistisch bent. Dat verschil is in feite franje.
Toen viel ik stil, de rest zou maar moralistische prietpraat worden. Ik was opnieuw ‘niet wel te tale’ en accepteerde dat. En o wonder de jongelui ook.

U kunt blijk geven van uw waardering voor Stukwerk door overmaking van een vrijwillige bijdrage op één van de
rekeningen van de Abdij van Berne te Heeswijk: Postbank 1082440 of Rabobank 1201.00.908 (vermelding: 'vrijwillige bijdrage') Voor
buitenlandse abonnee's: Rabobank 12.01.00.908; IBAN: NL64RABO 0120 1009 08; BIC: RABONL2U |
Alle vorige afleveringen van Stukwerk-online zijn te vinden op
www.abdijvanberne.nl.