Menswording
abt Ward Cortvriendt
Soms kun je naar een woord kijken, dat je allang kent, alsof je het ineens op heel andere manier ziet. Alsof het van zijn gewone betekenis vervreemd is. Ik heb dat van tijd tot tijd met het woord menswording. Wij mensen zijn gewend de zaken vanuit onze blik, vanuit onze werkelijkheid te benaderen, terwijl het begrip menswording zijn eerste betekenis heeft vanuit God. Het is God die mens wordt in Jezus Christus en daarmee iets uitzegt over ons mens zijn. Het initiatief daartoe en de oorsprong liggen niet bij ons, maar bij de Eeuwige.
Die menswording vieren we elk jaar weer met Kerstmis, hoewel ook dat feest zo langzamerhand veel van zijn religieuze inbedding heeft verloren. Het is bijna totaal vermenselijkt zou je kunnen zeggen. Van de gedachtenis van de incarnatie tot totale immanentie. In mijn gedachten word ik daarin meegenomen en op die manier verschijnt het woord menswording in een strikt menselijke context. Daarbij hoort de vraag wat menswording dan voor onszelf betekent. En daarin zit dan precies de vervreemding. We worden als mens geboren en leven als zodanig, hoe zouden we dan nog mens moeten worden? De klassieke pedagogiek zou daarop het antwoord geven van de socialisatie. De oude empirie een nog vervelender antwoord.
Maar wanneer ik de mens-wording aanzet tegen mijn mens-zijn, ontstaat meteen een spanning die me de vraag doet stellen in hoeverre ik dan mens ben, wanneer ik tegelijkertijd nog mens moet worden.
Je zou kunnen zeggen dat het een schijnbare tegenstelling is, aangezien in het ene geval gesproken wordt over het biologisch mens-zijn en in het andere over het psychisch-sociaal mens-zijn. Daarmee is de vraag niet beantwoord. Wanneer je een ontwikkelingsgang aanneemt, is er ook een beeld van de eindterm van die ontwikkeling en de gang er naar toe.
Als mens ben ik geboren om mens te worden. Ik dien me in biologische zin te ontwikkelen en in sociale zin. Ik moet leren deel te krijgen aan het economisch verkeer. Leren deel uit maken van de samenleving. Wellicht krijg ik verantwoordelijkheid voor kinderen en werknemers. Dien ik waarden door te geven en te handhaven.
Hoe leer ik dat en waar richt ik me op?
De beantwoording van die vraag heeft te maken met het beeld van de mens dat ik heb in zijn beoogde, ideale of uiteindelijke gestalte. Ieder bijvoeglijk naamwoord geeft een eigen ratio. Is ook meer of minder transcendent te verstaan. Professor Verhoeven zou met deze vragen veel beter uit de weg kunnen.
Voor mijzelf is er de ervaring dat er een verschil is tussen mijn actuele gestalte en wie ik zou willen zijn. Ik ben niet altijd de mens die ik vind te moeten zijn en schiet te kort ten opzichte van mijn ideaalbeeld. Ik werk daaraan, net zoals iedereen die ik ken. Het is een voortdurende ontwikkeling en daarmee wordt minstens gesuggereerd dat je nooit goed genoeg bent.
De spanning tussen goed worden en goed zijn wordt voor mij niet opgelost binnen een louter immanent mensbeeld. Het goed zijn wordt mij aangereikt in mogelijkheid en belofte. Het goed worden is gedragen door aangereikte liefde.
Ook in strikt immanente, maatschappelijke, zin geldt naar mijn smaak dat geen mens goed kan worden als haar/hem het goed zijn niet wordt aangereikt. En dat wel onvoorwaardelijk.
De onvoorwaardelijkheid van Gods liefde komt ons tegemoet in de geboorte van zijn zoon. Ik zou willen dat het een tweeling was geweest. Een meisje en een jongetje. Mannelijk en vrouwelijk heeft de Ene immers de mens gemaakt. We zouden van veel problemen gevrijwaard zijn geweest. En misschien zouden er ook andere door ontstaan zijn.
Hoe dit ook zij, de Eeuwige komt in de tijd en degene waar geen beeld van te maken valt, kiest een gestalte. Daarmee spreken we ons geloof in onszelf uit, onafhankelijk van welke theologie dan ook. Vanuit ons geredeneerd zeggen we daarmee dat we gericht staan op de Eeuwige, dat Die ons uiteindelijke “mensbeeld” is en dat we onze “Werdegang” , onze menswording afmeten aan de levensgang die de gestalte van de Eeuwige bij uitstek, Christus Jezus, heeft doorgemaakt.
Zalig, gelukkig, gezellig kerstfeest.

U kunt blijk geven van uw waardering voor Stukwerk door overmaking van een vrijwillige bijdrage op één van de
rekeningen van de Abdij van Berne te Heeswijk: Postbank 1082440 of Rabobank 1201.00.908 (vermelding: 'vrijwillige bijdrage') Voor
buitenlandse abonnee's: Rabobank 12.01.00.908; IBAN: NL64RABO 0120 1009 08; BIC: RABONL2U
|
Alle vorige afleveringen van Stukwerk-online zijn te vinden op
www.abdijvanberne.nl.