14 februari 2021: 6e Zondag door het jaar

Leviticus 13,1-2.45-46 en Marcus 1,40-45, B-Jaar

VERKONDIGING

Carnaval, Dag van de vriendschap

Het is de zondag van carnaval en wij krijgen lezingen te lezen die gaan over besmettelijke ziekten. Het lijkt er wel op als of men dit expres gedaan heeft. Let op mensen, als iets of iemand besmettelijke is, stuur hem weg, jaag hem uit de stad, blijf ver van hem.

Met carnaval komen we normaal gesproken te dicht bij elkaar. Dit is ons feest waarop iets willen vieren van gemeenschap. Wij zijn verbonden, in kleur, in gezang, in volkslied. Even laten we het keurslijf los, verkleden in andere pakken en gaan de straat op. Het leven moet gevierd worden. Van ’s morgensvroeg tot diep in de nacht. We eten gemakkelijk en drinken, de meesten dan, te veel alcohol. We hebben het leuk samen. Vele mensen gaan terug naar hun geboortegrond om daar carnaval te vieren. Samen met hun leeftijdsgenoten van weleer. Rangen en standen zijn weer even voorbij. Genieten. Maar dit jaar moeten we dit overslaan, dit gemeenschappelijk uiten.

Maar ben je besmet dan hoor jij er niet bij. Weg wezen.

Ik denk dat in de tijd van Peerke Donders in Suriname de tekst van Leviticus misschien wel uit het hoofd gekend werd. “Onrein, onrein! Zolang de ziekte duurt is hij onrein, hij moet apart wonen en buiten het kamp blijven.”
En zo werden de besmette mensen met melaatsheid weggestuurd, de stad uit, het bos in. Niet zomaar om de hoek van Paramaribo. Nee, ver de rivier op en daar in de bossen mochten ze verblijven. Afgesloten, buitengesloten van de rest, van het leven. Besmet, Onrein, onrein.

En juist naar die plek ging onze Peerke. Hij vroeg toestemming om naar Batavia Suriname te mogen gaan. Hij werd de priester van het dorp. Hij hielp, bij bleef, ging niet weg, werd de vriend van de zieke van de arme. Peerke een Redemptorist bij uitstek. Het devies van de Redemptoristen is: “Bij Hem is overvloedige verlossing.” Met dit motto kon hij zeker aan de slag in Batavia. En dat heeft hij ook gedaan.

En dan nu weer de sluimerende discussie over het beeld van onze vriend in het Wilhelminapark. Black lives matter, Kick out Zwarte Piet of allen die ons bewust maken van ons Slavernij verleden moeten recht van spreken hebben. Moeten de wereld, moeten ons aanspreken op onrecht,
op verschil, op geen gelijkwaardigheid, op misbruik en macht. Woorden die gezegd moeten worden, verhalen die wij en onze kinderen moeten leren. Dat onderscheid en niet gelijkheid dezelfde betekenis hebben als de melaatsheid van toen.
Wij willen toch niet dat onze kinderen en kleinkinderen vanwege een bepaalde huidskleur onreine mensen zijn. Dat die niet welkom zouden mogen zijn waar ze maar willen zijn. Dat Apartheid niet dood is maar ondergronds leeft. Dat wij onreine kinderen hebben voortgebracht?

Alles komt in mij in opstand, hiervoor wil ik staan en is de levensspreuk van de Redemptoristen voor mij goed maar wel te ver weg. We moeten vandaag en morgen aan de weg werken en dat deed onze vriend Peerke ook.
Hij ging staan.
Was tegen slavernij.
Koos voor de uitgestotene.
Was een priester van zijn tijd, zoals het standbeeld van zijn tijd is.

En dan is het de 11de van de 11de in onze stad. We weten al dat er geen openbaar carnaval zal zijn maar toch, Koning Willem II op de Heuvel – Peerke in het Wilhelminapark en Maria op de Schans zijn versiert met groen oranje shawl. Teken van het vrije leven, van de ontmoeting, van het samen zijn. We dragen onze kleuren en weten we zijn verbonden, hoe dan ook.

Zo kunnen wij dat ook lezen bij Marcus. Jezus die zegt: “Ik wil, word rein” en de melaatse gaat weg van hem met een gereinigd lichaam. Hij kan zich weer in de wereld bewegen. Hij is geen uitzondering meer. Hij is één van velen. Dat is wat Jezus ons laat zien. Geen onderscheid maar verwantschap. Dat is dan ook onze opdracht. Geen onderscheid maar verbinding. Niet afwijzen maar opnemen. Wij, gelovige mensen, hebben dus iets te doen als wij woorden als onrein horen of Corona of Covid 19.

Als iemand ons roept moeten wij horen, moeten wij luisteren. Niet omdraaien maar aannemen die hand en er zijn, gewoon zijn.
De melaatse van vandaag heeft jou en mij nodig. Niet voor wonderen maar voor kleine dingen.
Een kus, weten dat er voor jou een kaars is aangestoken of dat je jouw laatste zegen mag ontvangen. Onrein, Onrein moesten ze roepen, met een bel luidend door de wereld gaan.
Het mag niet meer gebeuren daar zijn wij als Godskinderen voor geroepen. Geroepen om een thuis te maken voor iedereen van welke kleur, geaardheid, geloof of wat dus dan ook.

Ach, de zondag van Carnaval, een stille zondag dan. Als het feest was geweest dan had onze abt hier gestaan en had hij ons een humoristisch verhaal verteld over ons Tilburg over Nederland over de wereld. Had hij in het goed Tilburgs, dat denkt hij dan, ons de les gelezen. Ik weet zeker dat we op hetzelfde waren uitgekomen, dat we geroepen zijn om samen de wereld te maken.

Alaaf met Godszegen.

Jan Claassen, participant Norbertijnen