14 maart 2021: 4e Zondag in de Veertigdagentijd

2 Kronieken 36,14-16.19-23 en Johannes 3,14-21, B-Jaar

VERKONDIGING

Licht – Donker, de Heer heeft u gered!

Verhalen uit lang vervlogen tijden. Verhalen die ons meenemen naar landen ver weg, naar werelden die wij ons bijna niet meer kunnen voorstellen en toch kennen wij de verhalen van die tijd. Wij weten wie de koningen waren, wie de profeten van die tijd waren, weten wat voor die tijd belangrijk was. We horen verhalen over die God van mensen. Die bijna lijfelijk aanwezig was voor die mensen van die tijd. Die God die oordeelde over goed en kwaad. Die God die bijna een huisgenoot was. Die God waarvoor geofferd moest worden, was het niet je zoon dan toch wel een bok of een geit.

En dan, dan gaan wij als oude ouders deze verhalen komende week aan onze volwassen kinderen vertellen. We lezen ze voor met de woorden van nu. Moderne taal die zij elke dag gebruiken. Op mijn bureau ligt Youcat, een Jongerenbijbel. Het verhaal gaat om ommekeer. Kunnen luisteren naar Gods woord en weer toekomst hebben. Je mag als groep mensen weer naar huis. Je tempel opbouwen in je eigen stad.
Onze kinderen, als er nog zijn, verklaren ons voor gek. Waar hebben wij het over? Wat voor woorden lezen wij? Wat is die God, wat moeten wij met die God?
Hebben wij antwoorden voor hen? Weten wat wij kunnen zeggen? Geloven wij het zelf wel allemaal?

We zitten midden in de vastentijd, we zijn halverwege. Halverwege in die tijd dat wij nadenken over wie we zijn en waar we zijn. Waar ons leven mee gevuld wordt. Wat is belangrijk. Voorzichtig denken wij na over die God van mensen. Die God met wie wij verbonden zijn. Dat kruis dat in ons huis aanwezig is. Dat kruis waarvan onze kleinkinderen zeggen. ”Opa, Oma wie is die man aan dat kruis? Waarom hangt hij daar? Wat is dat takje wat daar achter het kruis zit?” Wat zeggen wij dan?
Hebben wij de woorden om te spreken over nieuw leven. Over dat wij uitverkoren mensen zijn die verbonden zijn met, dat onze naam geschreven staat in zijn hand? Meestal niet denk ik.

Maar heeft u uw kleinkinderen wel eens meegenomen naar de Hasseltse kapel of een ander klein Godshuis? En dan daar een kaarsje opsteken. Een kaarsje van Licht en Warmte. En voor wie steken wij een kaarsje aan? Wie heeft er een handje hulp nodig, wie kan er iets extra’s nodig hebben? Dan komen ze wel. Dan komen de opdrachten van zelf. Ze weten precies hoe het met hun wereld gaat. Hoe het met de oma van Kees is of met het zusje van Joesuf die in de rolstoel zit. Of hoe het met de kat is die gisteren begraven is omdat hij onder een auto is gekomen.

Kinderen kunnen ons dat zeer goed aangeven. En die zelfde kinderen hebben ook oren voor onze verhalen. Ik zit zomaar op een zondag op de bank terwijl ik op bezoek ben bij vrienden. In gesprek met een 10 jarige over de zaken van het leven. Opeens zegt deze 10 jarige: “Ik geloof ook in God”. Nou, zeg ik, dat is mooi. Ziet jouw God er uit als een mens? vraag ik haar. Tis even stil en dan zegt ze “Ja, het is een mens” en gaat verder met andere dingen. We komen er niet meer op terug en ik ga naar huis en blijf er aan denken. 10 Jaar en haar God ziet er uit als een mens. Toen ik 10 was, weet niet hoe dat toen voor u was, had ik dit nooit bedacht laat staan dat ik dit tegen iemand, een volwassene, zou zeggen. Never!

En dan is het er.
We staan in de Zellerstraat te wachten om naar het kerkhof te gaan. De kist komt uit de auto en moet op de baar gezet worden. Er komen 6 jongens aangefietst, komen van school. Ze stoppen en kijken van een afstand naar wat daar aan het gebeuren was. Duidelijk even onrust. Hoe gaan we hier mee om? En dan … Ze stappen af en lopen heel stilletjes de hoek om en vertrekken. Groep 2 komt, duidelijk oudere jongens. Ook zij stappen af, wachten en kijken naar wat wij aan het doen zijn. Het is duidelijk niet bekend met onze gebruiken en dan … Ze stappen op hun fiets draaien om en rijden in stilte weg.
Prachtig. Kinderen die niets met de Rooms Katholieke kerk hebben, die niets van onze gebruiken en rituelen weten herkennen iets heel diep menselijks, herkennen dat het hier ook over God gaat en maken een keuze met respect.

Zo kunnen wij dat ook zeggen tegen anderen. Die God van mensen, die God die zegt dat Hij is, dat Hij altijd meegaat. Die God waar wij op mogen vertrouwen. Aan die God kan ik mij overgeven, mag ik uitreiken, mag ik aannemen. We zijn halverwege de vastentijd. Nog dagen genoeg om even de stilte te nemen … Tegen niemand zeggen, helemaal in je eentje en het dan proberen. Het is gek, voelt raar maar toch. Probeer het maar, luister in de stilte. Het is altijd goed, je doet het niet verkeerd. Onze God is altijd thuis, is altijd dat kleine lichtpuntje in het donker. Het is er altijd zoals het kaarsje in de Hasseltse kapel. Het brandt, het is niets maar wij hebben het gezien. Opgestoken door een kind, een volwassene. Opgestoken om licht en warmte te geven. Opgestoken om een mens nabij te zijn.
Amen.

Jan Claassen, participant Norbertijnen