18 oktober 2020: 29e Zondag door het jaar

Jesaja 45,1.4-6 en Matteüs 22,15-21, A-Jaar

VERKONDIGING

“Geef aan God wat God toebehoort”

Geef aan God wat aan God toebehoort lees ik bij de Evangelist Matteüs als ik start met mijn voorbereiding van deze woorden. Geef aan God wat aan God toebehoort. Ze lijken wel uit mijn eigen hart te komen. Ze sluiten naadloos aan bij mijn toestand van deze week. Onze kerk heeft nu het eerste weekend achter de rug dat er geen viering was, corona komt steeds dichterbij en onze regering heeft nieuwe maatregelen afgekondigd. Nog een kleine stap verwijderd van een totale lockdown en onze wereld lijkt het niet te begrijpen. We gaan maar door. Roepen op tot onverstandige dingen. Lijken allemaal een master degree te hebben van de ene of andere universiteit. Zijn virologen, intensivisten, microbiologen, dokters met heel veel verstand. Maar jammer genoeg heten de meesten geen Gommers – Kuipers of Van Dissel. En toch roepen ze nee soms schreeuwen we het gelijk de wereld in. Zij weten het! Onze regering is dwalend, de coördinatoren van de veiligheidsregio’s zijn dwaas! Onvoorstelbaar.

Donderdagavond kon ik het niet laten om een ingezonden brief te versturen naar het Brabants dagblad met als titel: Hou op!

Zo kunnen wij het leven niet winnen. En dan die teksten van vandaag. Eén keer lezen of horen is niet voldoende. Dit zijn woorden om te herhalen, keer op keer. Onze God kiest een Koning als zijn knecht. Een koning niet van zijn eigen beloofde volk nee een koning van een ander land. Want zo kan Hij laten zien dat Hij er is. God spreekt en de ander neemt. Bij Matteüs horen we weer dat Jezus bevraagd wordt naar wie de grootste, wie het belangrijkste is. De keizer of God?

En Jezus doet die uitspraak door te zeggen dat je dat moet geven wat aan een ieder toekomt. Geef aan de keizer wat aan de keizer toekomt en geef aan God wat aan God toekomt. Klinkt voor ons mensen heel gewoon. Dat klopt, dat moeten we ook doen. Te vanzelfsprekend lijkt het wel.
Wanneer geven wij aan God wat God toekomt?

Dan wordt het spannend. Geven aan God wat aan God toekomt.
Hebben wij daar een antwoord op? Kunt u nu hier hardop een antwoord op geven of zitten wij even zwijgend in onze stoel? Geven aan God wat God toekomt. Zou God ons niet moeten geven? Die God is er toch voor ons!

Zeker die God heeft ons gezegd dat Hij er zal zijn voor ons. Wij worden wel gevraagd om er te zijn. Om die God te nemen. Eenvoudig? Misschien wel het moeilijkst in ons leven om te doen. Hart en ziel openstellen voor dat wat wij niet kunnen zien of horen. Niet kunnen voelen of ruiken. Dat waar van wij zeggen dat die God verantwoordelijk is voor de schepping van het leven. Die God die zegt dat er leven na de dood is.

Die God waarbij we alle onbegrijpelijke zaken neerleggen. Auschwitz, de dood van ons kind, de geaardheid van onze dochter, alles wat voor mensen te groot is leggen wij bij God neer. We zetten ons zelf buitenspel.

Ik zeg tegen iemand dat Henk en Ingrid corona hebben en het antwoord is: O, mijn god. Natuurlijk het is een uitroep maar toch. We leggen het ergens anders neer. Maar wat geven wij nu aan die God van mensen?

Kan ik heel zachtjes in mij zelf zeggen dat mijn God, MIJN GOD is?

Kan ik die God van mensen, mijn God laten zijn?
Kan ik die liefde door God gegeven vasthouden en rond laten gaan?
Kan ik gaan staan in de wereld en laten zien dat ik zijn kind ben?

Al meer dan 20 eeuwen lezen wij oude woorden die gaan over God en mensen. Elke dag opnieuw worden ze gelezen. Woorden die kracht geven, woorden die een emotie kunnen oproepen. Woorden die een betekenis hebben. Woorden die wij willen nemen, die wij willen verstaan. Elke dag opnieuw. Vrijdagochtend lazen wij in het ochtendgebed psalm 139. Woorden vertaald door Huub Oosterhuis. Zulke mooie woorden over die God van mensen, zulke mooie woorden over mensen. Woorden om te verstaan. Woorden die zeggen wat aan God toekomt.

“Uw schepping ben ik in hart en nieren, Gij hebt mij geweven in de schoot van mijn moeder. Ik wil u bedanken daarvoor, dat Gij mij ontzagwekkend gemaakt hebt. Mijn ziel en gebeente door U gekend.”

Ik mag een kind van mijn God zijn, wij mogen kinderen van onze God zijn. Wij gezegende mensen mogen stralen in het leven, mogen vertegenwoordigers zijn van Zijn Liefde. Zijn eerste en grootste gebod. De Liefde. Aan ons om te nemen. Aan ons om te delen met de wereld om ons heen. Aan ons om echt Kind van God te zijn
Amen.

Jan Claassen, participant Norbertijnen