2 augustus 2020: 18e Zondag door het jaar

Jesaja 55,1-3 en Matteüs 14,13-21, A-Jaar

VERKONDIGING

Het broodwonder van Jezus deed de mensen denken aan de tijden van Mozes, Elia en Elisa, toen het manna regende, toen meel en olie uit de kruiken bleven stromen en twintig broden genoeg waren om honderd man te eten te geven, zonder dat iemand te kort kwam. Ze zullen eten en overhouden, zo wordt in het tweede boek van de koningen verhaald. Maar het broodwonder van Jezus overtrof alles. Hij gaf vijfduizend man te eten, afgezien van vrouwen en kinderen. En er bleven twaalf korven brood over.

De volgelingen van Jezus hebben dit verhaal vol enthousiasme doorgegeven. Alle evangelisten vertellen het, Matteüs zelfs twee keer. Aan de manier waarop ze het vertellen merk je dat er niet over gepraat kan worden zonder aan de eucharistie te denken. Het gebaar van Jezus die het brood nam, brak en uitdeelde aan allen die honger hadden, is het hart geworden van de nieuwe eredienst. Het broodwonder liet zien dat de gemeente van Jezus een alternatief was voor een samenleving waar de armen werden weggeduwd van de tafels van de rijken.

Een kort, maar ijzersterk verhaal vandaag in het evangelie. Dat verhaal van de wonderbare broodvermenigvuldiging lijkt de titel van een sprookje, want broodjes kunnen zich eigenlijk niet vermenigvuldigen. Toch is het geen sprookje. En hoe je ook naar dit verhaal luistert, het blijft op de een of andere manier een bijzondere gebeurtenis die allerlei verschillende reacties oproept. Het is al merkbaar bij het begin waar wordt verteld over de aanloop naar die wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging.

De leerlingen drongen bij Jezus aan: ‘stuur die mensen toch weg, want straks zitten we met een probleem. Iedereen wil eten, maar er is niets’. Dan zegt Jezus: ‘Geven jullie hun maar te eten’. De leerlingen sputteren tegen, want hoe zouden ze dat moeten doen? Maar Jezus is niet bereid de mensen weg te sturen. ‘Ga maar eens kijken wat er aan eten is’. De leerlingen komen terug met vijf broden en twee vissen, alsof ze willen zeggen: ‘Zie je wel dat het niet lukt, dat hebben we je toch al eerder gezegd’. Maar Jezus vindt het voldoende. En zo begint het wonder. Genoegen nemen met wat er is en dan maar delen.

In onze dagen is er heel wat honger in onze wereld. Dat geldt letterlijk. Vijf jaar geleden was er op de expo van Milaan een en ander te zien rond het thema: ‘Voedsel voor de planeet. Energie voor het leven’. Die expo liet zien wat we moeten doen om er voor te zorgen dat de 9,5 miljard mensen die onze aarde in 2050 bevolken genoeg voedsel en water hebben. Over een aantal dingen bestaat verregaande overeenstemming onder alle deskundigen. We moeten eetgewoonten veranderen, meer groenten en granen eten en minder vlees. We moeten duurzame productiemethoden gebruiken en minder water en energie verspillen. We staan dus voor een gigantische taak.

Maar onze honger blijft niet steken bij het louter materiële voedsel. Het wonderverhaal van vandaag gaat over het stillen van veel meer honger. Er is honger naar vrede, naar vertrouwen, geluk, naar open en eerlijk met elkaar omgaan. Hoe moeten we die honger stillen? ‘Geven jullie hun maar te eten’, luidt de opdracht. Maar dat lukt ons nooit, zo stribbelen we tegen. Dat kunnen we niet. We hebben maar een handjevol vrede, en ons geloof is zo klein. Dat is nooit genoeg voor al die hongerende mensen. Zo ontlopen we het wonder. We lopen weg voor de verantwoordelijkheid ons geloof beschik baar te stellen aan anderen die geen houvast meer hebben.

‘Ga maar kijken wat er is aan geloof, hoop en liefde’. We worden er op uitgestuurd en vinden bijna niets. Vijf broodjes en twee vissen. Een mandje hoop en wat schrale liefde. En toch is dat genoeg voor het begin van een wonder. Want een beetje vertrouwen in de toekomst is al toekomst. Een eerste stap naar vergeving is al vergeving. Geweld afkeuren of vermijden is al vrede. Tegenspreken dat iedereen maar voor zichzelf moet zorgen, is al gerechtigheid. Zoeken naar de goede bedoelingen van een ander is al barmhartigheid. Onze moslim broeders en zusters vooral in dit weekend verbondenheid tonen vanwege hun offerfeest, is laten zien dat we niet mogen vergeten dat we een gemeenschappelijke stamvader Abraham hebben.

‘Geven jullie hun maar te eten’. Zo voeden we elkaar, en het vermenigvuldigt zich vanzelf. Zo gaat dat wonder in zijn werk. Het heilig brood dat wij eten als ontmoeting met de verrezen Heer, als een sacrament, is het begin.
Vandaag adviseert Jezus mensen die in de ban zijn van het broodwonder, verder te kijken dan het brood dat vergaat, en te werken voor het voedsel dat blijft.

Denis Hendrickx o. praem.
Abt van Berne