2 en 3 februari 2019: 4e Zondag door het jaar

Jeremia 1,4-5.17-19 en Lucas 4,21-30, C-Jaar

VERKONDIGING

Voordat ik je vormde in de moederschoot, had ik je uitgekozen, voordat je de moederschoot verliet, had ik je al aan mij gewijd, je een profeet van volken gemaakt. Jeremia maak je gereed!

Jeremia een profeet uit de oude tijd. Ver voor de geboorte van Jezus was hij actief in dat oude land. Hij moest zijn twijfel overwinnen en ging toen echt los. Hij sprak. Uit naam van God vertelde hij verhalen, ging hij staan en sprak over zijn God. Sprak over gerechtigheid, sprak over het leven van die dagen. Niet omdat dit zijn eerste keus was om te doen maar meer omdat God hem geroepen had. Ik was uitgekozen. Met gevaar voor eigen leven ging Jeremia op weg. Hij sprak, hij getuigde.

Meer dan 600 jaar later verschijnt die Jezus in de tempel. Die zoon van Jozef en Maria. Die jongeman uit Bethlehem. Die man waarvan verteld werd dat hij de zoon van God was. Dat zijn leven zou gaan zoals het voorspeld was. Die man die ongeschoold de woorden uit het grote boek in de mond nam. Die sprak over God, over toekomst, over het nieuwe leven.
Die vertelde over een nieuw Jeruzalem. Die vrienden meenam, die brood en beker deelde, die een teken van toekomst gaf.
Ook op hem zaten ze niet te wachten. Men had geen oren voor zijn verhaal. Jezus haalde de voorbeelden aan van Elia en Elisa. Profeten die niet in eigen land geëerd werden. Zo was het ook met hem. Ze joegen hem de stad uit maar hij overleefde. Ging zijn eigen weg.

Jezus, de zoon van God, de nieuwe weg. Jezus niet de mens die men verwacht had. Opstand en woede, weinig ruimte voor deze profeet, deze zoon van God.

En hij bleef staan, bleef spreken, legde handen op en opende zijn hart voor iedereen. Men mocht bij hem thuis zijn. Wij mogen bij hem thuis zijn. Hij is onze voorganger, hij heeft laten zien dat God in hem is. Vader – Moeder – God van mensen. Toen en nu is het aan ons mensen om ook dat te verstaan en te nemen. Durven wij te luisteren naar de profeten van onze tijd. Hebben wij een hart dat daarvoor openstaat. Durven wij het te nemen en te zeggen ik ben een kind van God?

De heilige Augustinus zei het in zijn tekst van de Belijdenissen. 4e eeuw na Christus. Huub Oosterhuis gaf er woorden van deze tijd aan. Deze twee mannen probeerden te beschrijven wat het is om je te geven aan die God van ons.

Veel te laat heb ik jou lief gekregen, schoonheid wat ben je oud, wat ben je nieuw, veel te laat heb ik jou lief gekregen.
Binnen in mij was je, ik was buiten en ik zocht jou als een ziende blinde buiten mij, en uitgestort als water liep ik van jou weg en liep verloren tussen zoveel schoonheid, die niet jij was.
Toen heb jij geroepen en geschreeuwd, door mijn doofheid ben jij heen gebroken.
Oogverblindend ben jij opgedaagd om mijn blindheid op de vlucht te jagen. Geuren deed jij en ik haalde adem, nog snak ik naar adem en naar jou. Proeven deed ik jou en sindsdien dorst ik, honger ik naar jou. Mij, lichtgeraakte, heb jij doen ontbranden. En nu brand ik lichterlaaie naar jou toe, om vrede.

God, onze God schreeuwt om ons, laat zich zien, laat zich ruiken. Is er, alleen wij moeten bewegen. En als we dat doen stroomt die God bij ons binnen. Kunnen wij die Goddelijke liefde voelen. Want God is Liefde. Bijna zoals een woord van een profeet. Een woord om weg te werpen om niet aan te nemen en toch daag ik u uit.
Kies komende dagen een moment van rust uit. Steek een kaarsje aan en zet de telefoon en de deurbel op stil. Maak het stil in en om u heen. En als de rust in u is gekeerd zeg dan hardop ”veel te laat heb ik u lief gekregen” en herhaal het en herhaal het. Dan mag de stilte zijn werk doen. En als alle dierbare mensen zijn gepasseerd in uw hoofd en hart kan het zijn dat onze God voelbaar wordt.

Neem hem maar, voel die God, ruik die God maar. Hij is van jou.

Amen.

Jan Claassen, participant Norbertijnen