24 december 2018: Kerstavond

Jesaja 9,1-3.5-6 en Lucas 2,1-14, C- Jaar

VERKONDIGING

Een paar weken geleden was ik in gesprek met twee jonge mensen die hun kind wilde laten dopen.
Een klein meisje zat bij haar vader op schoot, spelend met wat rommeltjes op tafel. De ouders vertelden waarom zij hun kind wilden laten dopen.
Vader vertelde daarover:
Voor ons is het een warme traditie waarin wij zijn groot geworden. Mijn vader, de opa van het kind, doet al jaren stamboomonderzoek en het is bijzonder om te weten wie voor jou uitgingen in de tijd.
De moeder van het meisje werd geboren in een land in Midden-Afrika en trots vertelde zij over haar voorouders, over de cultuur in haar land waarin mensen zich van nature zo sterk verbonden voelen met hun voorouders.

Deze pappa en mamma zijn het met elkaar eens;
“Net als de mensen voor ons willen wij onze kinderen de kracht van het gelovig zijn meegeven, hen leren dat er onvoorwaardelijk van hun wordt gehouden.
Dat zij, op moeilijke momenten, kunnen bidden en God om troost of hulp vragen.
En wat wij zeker zo belangrijk vinden is dat zij weten dat zij wereldburgers zijn, mensen die opgroeien tussen andere mensen, allemaal op zoek naar veiligheid, vrede en geluk.
Hopelijk lukt het ons om onze wereld een stukje beter achter re laten, dan toen wij geboren werden. Dan kunnen onze kinderen met die erfenis verder.”

Woorden die raken, die binnenkomen, woorden waar je stil van wordt …
Vandaag vieren wij ook een geboorte, de geboorte van een kind dat werd neergelegd in een voederbak, ver van hier, in een land dat bukt onder de overheersing van de heersers van het Romeinse rijk.
Die heersers dragen vooral zorg voor het welzijn en de veiligheid van eigen burgers en bekommeren zich nauwelijks om het welbevinden van de ander.
Er is onvrede in die wereld, er zijn zorgen in onze wereld nu.

En niet voor niets hebben herders een ereplaats in onze kerststal. Misschien zou in iedere kerststal dit jaar wel een beeldje moeten staan met een geel hesje aan.
Er is zorg in de wereld, mensen vragen zich af hoe het kan dat kinderen, na vijf jaar nog worden teruggestuurd naar een land dat zij zijn ontvlucht.
Misschien moet er in iedere kerststal in onze dagen, wel een beeldje staan van mannen en vrouwen, die op weg zijn naar een land waar zij een echte toekomst hebben.
Of moet er in iedere kerststal in onze dagen een muur worden geplaatst, tussen mensen op zoek naar veiligheid en middelen van bestaan en de wereld waarin zij leven.

De geboorte van een kind, van huis en haard verdreven, werd in de dagen van keizer Augustus opgemerkt door de herders, het meest ruwe volk in die dagen, die het kind als eerste komen begroeten.
Zij horen stemmen van engelen op het veld, stellen zich open voor woorden die hen raken en in beweging zetten:
“Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: Vandaag is jullie een redder geboren, Hij is de Messias, de gezalfde”
En zij zingen dat lied dat wij vandaag ook nog zingen:
Ere zij God in den hoge en vrede op aarde aan alle mensen die hij liefheeft.
Woorden die klonken in een nacht, in een land ver van hier: de getuigenis dat God ons vrede toewenst, omdat hij alle mensen op aarde liefheeft.

Woorden die je zo stukje bij beetje kunt laten doordringen:
God zelf wenst ons vrede toe, omdat hij ons liefheeft!
God zendt zijn Zoon naar ons, zo dicht wil hij mensen tegemoetkomen, in het leven van dat kleine kind, een mens onder de mensen, kunnen wij God herkennen.
En de geboorte van dat kind, laat ons weten dat wij onvoorwaardelijk worden bemind, dat God ons troost en vasthoudt ook in dagen dat het moeilijk is, op de dagen dat ons hart opspringt en wij vlinders in de buik voelen, maar ook in de dagen dat wij ons kruis door het leven moeten dragen.

Wat wij van God echt weten is niet zo vreselijk veel, daar hebben de nuchteren onder ons misschien wel gelijk in.
Maar wat wij wel weten is dat vele generaties voor ons erin zijn geslaagd zijn een zinvol leven te leiden, dankbaar te zijn en zich weten geïnspireerd, omdat zij Gods weg wilden gaan door het leven.

In de kerstnacht wilden de herders luisteren naar de stem van de engel: Zij stonden op, gingen op weg naar een kind in een voederbak.
Ook wij mogen opstaan en gaan zien, wat ons gegeven is om ons tot mensen naar Gods hart te maken:
Ons vermogen tot menslievendheid, onze talenten, onze energie, onze liefde en ons vermogen om de wereld een stukje beter re maken.
Ook wij mogen ons open stellen voor het grote mysterie dat ons vertelt:
Iedere dag van het jaar is er de kans om een nieuw begin te maken, om onder ogen te zien wat minder was, om elkaar te bedanken voor alles wat goed was.
Dat vermogen kunnen wij levenskunst noemen, een Godsgeschenk.
In deze nacht vieren wij dat met elkaar: het licht komt in de wereld, het Kerstkind in die voederbak, getuigt daarvan:
Ere zij God in den hoge!

Thea van Blitterswijk, participant Norbertijnen