25 oktober 2020: 30e Zondag door het jaar

Exodus 22,20-26 en Matteüs 22,34-40, A-Jaar

VERKONDIGING

Het zal niemand verbazen denk ik als ik stel dat bij het horen van de evangeliewoorden dat bekende gezegde in je opkomt: ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’ Iedereen zal het hier roerend mee eens zijn. Het in de praktijk brengen ervan gaat ons wat moeilijker af. We vergeten die regel nogal eens omdat we te snel aan onszelf denken.

In deze lastige tijd waarin de wereld anno 2020 terecht is gekomen bekruipt me ook wel eens dat gevoel dat we wel heel sterk het eigen ik voorop stellen. De coronabestrijding vraagt dat ik uitdrukkelijk rekening houd met de ander. Samen zijn we verantwoordelijk om het virus te bestrijden en daar kan en mag niemand zich aan onttrekken. Deze tijd vraagt juist om evenwicht en gemeenschappelijk optrekken want zoals bij elke crisis is het gevaar groot dat mensen onderaan de ladder uiteindelijk verhoudingsgewijs het grootste slachtoffer zullen zijn en is dat niet in strijd met wat zo nadrukkelijk vandaag wordt voorgehouden. God denkt immers anders en laat zijn liefde eerst uitgaan naar kleine en kleingemaakte mensen.

En wat op het intermenselijk vlak speelt, zien we jammer genoeg ook op het internationale terrein. Hoe landen zich wapenen tegenover elkaar, hoe mensen met mooie beloften worden misleid, en dat nogal eens met respectloos roepen en tieren. Het eerste openbare verkiezingsdebat tussen Donald Trump en Joe Biden, respectievelijk 74 en 78 jaar oud, was daar een duidelijk voorbeeld van. Een debat dat geen debat werd, maar een ontluisterende, beschamende en weinig respectvolle verbale wedstrijd tussen twee kemphanen waarbij het vooral niet ging over de inhoud.
Afgelopen donderdag was er in het tweede debat dan meer orde, maar de valse beschuldigingen waren nog steeds aan de orde van de dag.

Houden van onze naasten en van God, dit dubbelgebod van de liefde nodigt uit om steeds attent te leven, steeds gericht te zijn op de ander om te zorgen dat die ander niets te kort komt. Dat geldt in deze tijd heel nadrukkelijk nu we Corona alleen maar kunnen bestrijden als we optimaal rekening houden met elkaar. Dat geldt voor hen die leiding geven in politiek en maatschappelijke organisaties, om zich toch niet te laten leiden door de waanzin van eigen belang of eigen volk eerst.
Het zou de hemel op aarde zijn, als we de liefde tot God en de liefde tot onze naaste met heel ons hart, geheel onze ziel en al onze vermogen zouden uitvoeren.

De nieuwste encycliek van Paus Franciscus ‘Fratelli Tutti’ komt als geroepen. Hij stelt duidelijk dat we elkaars broeders en zusters zijn en dat schept verplichtingen. Hij stelt dat we in dialoog en met geopende harten naar de wereld toe vriendschap en broeder- en zusterschap kunnen bewerkstelligen. De paus houdt in zijn bekende stijl een vurig pleidooi voor een solidaire wereld. Het is een boodschap die gericht is aan alle mensen ter wereld en die uitdrukkelijk laat weten dat we deel uit maken van één grote mensenfamilie. De grote wereldproblemen waarmee we worstelen raken immers iedereen. Enkel door samenwerking kunnen we ze overwinnen.

De woorden van de eerste lezing uit het boek van de Uittocht (Exodus) sluiten nauw aan bij de evangeliewoorden van vandaag. Mozes waarschuwt de mensen. Jullie mogen vreemdelingen niet slecht behandelen en hun het leven niet zuur maken. Je hebt zelf als vreemdeling gewoond in Egypte. Je hebt het dus aan den lijve ondervonden. Je kunt uit eigen ervaring spreken. Je weet dus wat het is. Doe geen onrecht, zegt Mozes, aan weduwen en wezen en andere mensen die in de kou zijn komen te staan. Je hebt lang genoeg zelf niet te eten gehad en je bent zelf lang genoeg uitgebuit.

Vergeet dus nooit wat je hebt meegemaakt, wat je zelf hebt doorgemaakt en wat je aan God te danken hebt nu je hier in vrijheid leeft en niets meer tekort komt.
Weten wie je was, wat je zelf aan nare dingen hebt meegemaakt en dankbaar zijn jegens God die je er doorheen gesleept heeft, dat kun je niet beter laten blijken dan door de ander een helpende hand toe te steken. Je weet immers wat het is om je vragende hand te moeten uitsteken.

Omdat het eerste en het tweede gebod aan elkaar gelijk zijn, kunnen we God niet beter dienen, danken en eren dan door mensen in ere te houden, soms in ere te herstellen en eerlijk te behandelen. Als je zelf wel eens in de kou bent gezet, weet je het beste hoe je mensen wat warmte kunt geven. Als je zelf wel eens naar adem moet snakken of in de familie mensen hebt die het soms erg benauwd hebben, geef je makkelijker aan b.v. het astmafonds en als je zelf honger hebt gehad of ondergedoken hebt gezeten, zul je mensen die nu hetzelfde meemaken niet zo gauw doorsturen.

Willen we goed met elkaar omgaan dan is het goed je te realiseren wat je zelf is overkomen of kan overkomen. Mogen we het in ons leven steeds meer waarmaken dat we drager zijn van Gods beeltenis en daarmee elkaars broeder en zuster.
Amen.

Denis Hendrickx o. praem.
Abt van Berne