26 april 2020: 3e Zondag van Pasen

Handelingen 2,14.22-32 en Lucas 24,13-35, A-Jaar

VERKONDIGING

Twee vrienden, bedrukt ontgoocheld op de terugweg naar huis.
Ze waren met hun gedachten bij de dode aan het kruis.
Ze waren totaal ontdaan, als dronken onder het gaan,
verlieten Jerusalem om naar Emmaüs toe te gaan.

Ga op weg door het leven,
En mocht het lang vermoeiend zijn,
Opnieuw aan tafel Brood en Wijn.
Kom Heer God en ga ons tegen,
‘T is al laat geef ons  Uw zegen.
Ik hoop dat U bij mij blijft als een vriend,
open mijn oren als U mij aan tafel dient.

Driekoningenkoor, honderd jaar geleden, de Driekoningenkerk op het Wagnerplein was te klein om alle mensen een plek te geven. Wij van het Driekoningenkoor zongen onder leiding van altijd inspirerende dirigenten en wij zongen. Hard, veel, soms mooi, soms er tegen aan. Maar altijd stralend vol enthousiasme. Daar kon je echt naar toe gaan op zondagmorgen. Na zo’n viering met de liturgische werkgroep onder leiding van onze eerste Pastoraal Werker ging je gevuld weer naar huis. Met in je hand een boekje met teksten en tekeningen. Altijd was er wel een manspersoon met een klein ringbaardje zichtbaar. Was hij het  zelf? Dat dachten we toen. Nee altijd een afbeelding van de Heer. Een tijd, een periode waarop veel jonge mensen een grote binding met die kerk hadden. Waar de Norbertijnen van de Schans er waren die de deur open hadden staan en waar men welkom was. Waar één van de vorige Abten van de Norbertijnen luid in de wereld riep dat zijn huis ons huis was. En dat wij geen andere mensen waren maar mensen van het volk Gods. Waar het Paasfeest een groot kerkfeest was en waar wij samen konden vieren van die opgestane Heer. Waar we gingen van Hosanna naar Halleluja. Waar wij stralende ‘PostPasen’ mensen waren.

En dan nu in dit Corona tijdperk. Wij zijn mensen die ons zelf gelimiteerd hebben. Gelimiteerd in leefruimte, in fysiek contact, in socialen contacten. We lijken overvallen door een vreemde mogendheid en moeten terug de schuilkelders in. Alsof we niet meer weten van wat er is.

In de Evangelielezing van vandaag horen wij het verhaal van die 2 leerlingen die weg gegaan zijn uit Jerusalem. Lieten alle vrienden achter en gingen naar huis. Wisten het niet meer, ernstig van de weg af geraakt. Waar was hun belofte gebleven, welk verdriet had hun overvallen. Hun vriend, Jezus van Nazareth, een kruisdood en nu een leeg graf. Ze moesten weg, vol van tranen en woorden.

En dan, dan gebeurt het. Hij loopt mee, luistert en spreekt. Gaat van gast naar Gastheer. Neemt en deelt. Opent ogen en harten en is weer zichtbaar in het onzichtbare.

Ze herkennen hem. Hij is het opgestane Heer. Hun Heer. Dit moet iedereen weten. Weer gingen ze op weg. Ik denk in een grote snelheid. Van Emmaüs naar Jerusalem. Met een opgetogen hart. Waar zijn de vrienden om het nieuws mee te delen. De Heer is waarlijk opgestaan.

In de Handelingen van de Apostelen lezen we hoe Petrus het volk toesprak. Een toespraak gehouden nadat de Heilige Geest op hun was neergedaald. Hij sprak dus met vuur. Sprak over zijn vriend en leermeester. Sprak over David en de voorspellende woorden van David. Sprak over zijn God.

Daar moet een stralende man gestaan hebben. Een man die durft te getuigen van dat wat voor mensenwoorden te groot is. Jezus, dat mensenkind, die opgestaan is uit de dood en zit aan de rechterhand van zijn Vader. Die zijn Geest heeft gestuurd en werkt in mensen. Die man, onze Petrus. Daar konden wij een kerk op bouwen.

Maar ja dat was toen. Goede week, Pasen. De kerken waren leeg.

Nee, ze waren ogenschijnlijk leeg. Overal in het land kwamen enkele mensen bijeen om een viering op te nemen en deze uit te zenden via internet of tv. Opnemen en uitzenden zodat er meer mensen het konden zien. Onze cijfers over hoeveel mensen onze uitzendingen hebben gezien zijn prachtig. Vele mensen hebben met ons meegekeken en gevierd. Zijn op weg gegaan om bij Pasen uit te komen. Ook voor hun kon het Halleluja worden.

Al 20 eeuwen vertellen wij elkaar de verhalen van de opgestane Heer. Gaan wij van Hosanna naar Halleluja en waarom? Waarom hebben wij in het verleden geen afscheid genomen van deze verhalen. Er zijn zeker mensen weg gegaan. In de laatste 35 jaar heeft er een kentering plaats gevonden in onze wereld. Namen wij in grote groepen afscheid van de kerk. Van het gebouw, van zijn dienaren. En we maakte het er ook naar. Alle verhalen over hoe wij met kinderen, vrouwen en mannen zijn omgegaan. Slecht. Geen reclame voor de goede zaak.

Niet goed maar toch. Al 20 eeuwen vertellen wij elkaar deze verhalen. Waarom? Omdat we weten van dat verbond van God met mensen. Die God die zegt: “Ik zal er zal er altijd zijn.”

Als je voelt kun jij mij voelen. Ik ben er. 2 vingers op je schouders als steun voor je leven. Je moet me wel willen voelen. Ik ben er altijd.

Twee vrienden bedrukt ontgoocheld op de terugweg naar hun huis, waren het gevoel helemaal kwijt. Eén ontmoeting en ze voelden weer zijn kracht en vuur.

Rennen konden ze!

Amen.

Jan Claassen, participant Norbertijnen