26 januari 2020: 3e Zondag door het jaar

Jesaja 8,23b-9,3 en Matteüs 4,12-23, A-Jaar

VERKONDIGING

Wie gaat er met mij mee?
Jezus stelt vandaag deze vraag aan ons allen.

Wij luisteren eerst naar de woorden van een moeder van een meervoudig gehandicapt kind.

Ik kan je haten, haten omdat je anders bent, omdat je gedrag niet past bij je leeftijd. Ik wilde wel een kind, maar jou wilde ik niet, niet een gehandicapt kind. Zo vaak denk ik: Waarom wij, waarom ik? Je maakt ons leven tot een puinhoop! Maar als je dan tegen me lacht, je handjes tegen mijn gezicht duwt, zo onbeholpen, zo onbeheerst, omdat je geen controle hebt over je bewegingen, dan stroomt een warm gevoel door me heen, dan springen er tranen in mijn ogen van schaamte, omdat ik weer mijn geduld verloor – van machteloosheid, omdat ik niet onvoorwaardelijk van je kan houden en je niet alle liefde kan geven die juist jij zo nodig hebt.

Beste zusters en broeders in Jezus Christus,

Vanaf onze geboorte zijn er mensen die met ons meegaan. Eerst de beschermende aanwezigheid van onze ouders, dan komen er vriendjes en vriendinnetjes, collega’s en misschien wel een geliefde. Er komen mensen bij en er vallen mensen af. We trekken mensen aan, maar we laten hen ook weer los. Of andersom: mensen willen een tijdje met ons optrekken en laten ons dan in de steek.

Ouders die hun kind loslaten omdat het volwassen is geworden, dat is een gezonde zaak. Ouders met een gehandicapt kind besluiten met pijn in hun hart, hun kind te laten opnemen in een instelling, omdat ze het zelf niet meer aankunnen. Hoe ver durven wij mee te gaan, hoe ver kunnen wij meegaan en hoe stevig zijn onze beloften?
Je kunt zielsveel van iemand houden en later, als het zwaar weer wordt, als de storm opsteekt, durf je of kun je opeens niet meer verder.

Een man of vrouw die belooft voor zijn of haar dementerende partner te blijven zorgen, kan op een gegeven moment op een punt komen en moeten besluiten ermee te stoppen omdat hij of zij het niet meer redt. ‘Tranen van schaamte springen in mijn ogen’, zegt de moeder van het gehandicapte kind.

‘Volg mij’, met andere woorden ‘Ga met mij mee’, zegt Jezus tegen de vissers, Simon, Andreas, Johannes en Jakobus, de eerste vier apostelen. Ze lieten alles in de steek, hun werk, hun familie en gingen mee.
Dat gaat voor ons een beetje te snel. Zoiets moet groeien. Je moet gaandeweg in iets gaan geloven. Dat zal waarschijnlijk toen ook wel zo gebeurd zijn, maar toch was het voor die vissers een compleet nieuw leven. Ze gaan leren mensen op te vangen. Een vangnet te zijn voor mensen die alleen door het leven moeten, mensen die niemand hebben om tegen hen te zeggen: ‘Ik ga met je mee.’ Jezus doet het voor: Hij geneest mensen van allerlei kwalen, vergeeft de zondaars, voed de hongerigen enz. enz.

‘Ga met mij mee.’ Dat wordt natuurlijk ook tegen ons gezegd. Wij worden ook geroepen. Soms doen wij net alsof wij niets horen, en kijken de andere kant op.
Onvoorwaardelijk geloven in God is ook niet zo gemakkelijk. Die eerste vier leerlingen kozen wel heel erg snel, maar zijn later toch in eigen belang hun eigen weg gegaan.
Dat lezen wij in Matteüs 20 vers 21, Jacobus en Johannes zoeken voor een ere plaats rechts en links van Jezus en in hoofdstuk 26 vers 69 lezen wij dat Simon Petrus Jezus 3 maal verloochent.

Veel mensen houden tegenwoordig liever een slag om de arm als het over geloven gaat. God is zo ongrijpbaar. Wat wil God eigenlijk van ons? En wat kunnen wij met Hem? God lijkt wel een gehandicapt kind. Hij gooit je leven omver en vraagt aandacht, en toch houd je van Hem, je wilt Hem niet kwijt.
Het is misschien ook wel te veel gevraagd onvoorwaardelijk voor God te kiezen.

Maar als God het nu eens omdraait? Hij vraagt niet: ‘Ga je met Mij mee? Maar Hij zegt: Ik ga met je mee.’ ‘Kom, we gaan samen mensen opvangen’.
‘Ja goed, eventjes dan, maar niet de hele tijd. Ik wil ook een beetje genieten van het leven en aan mezelf toekomen. Hier gaan onze wegen weer uit elkaar.’

Wie mag er met ons mee? Met wie mogen wij mee op de levensweg? Zij die met ons meegaan, zij die onze lotgevallen willen delen, bepalen de waarde van ons leven. En wij hebben het niet altijd voor het zeggen wie er met ons meegaat. Een kind roept ons, en we hebben te handelen. Het is een dure plicht, bittere noodzaak of een gelukkig makende taak.
Kan ik die mens wel dragen? Kan ik voor mijn gehandicapte kind zorgen? Ga ik mee? Is er iemand die met mij meegaat? Vragen die niet zomaar beantwoord kunnen worden.

‘Ik ga met je mee’. Dat is een woord dat al eeuwen klinkt in het gelovig hart van mensen. Hoe moeilijk de weg ook is, hoe zwaar het ook is de belofte waar te maken, er klinkt een Goddelijk woord dat ons op de been houdt.

Beste zusters en broeders in Jezus Christus,

God gaat met ons de weg die niemand met ons durft te gaan.

In Jesaja 49 vers 15 lezen wij: “Kan een vrouw haar zuigeling vergeten of harteloos zijn tegen het kind dat zij droeg? Zelfs al zou zij het vergeten, ik vergeet jou niet.”
Met deze woorden bedoelt God dat hoe alleen je je ook voelt, God gaat mee, ongevraagd en soms zo onverwacht. Dat is de kracht die in ons geloof zit. Je kiest, je vangt op, je durft te dragen, je gaat een moeilijke weg en je weet, je ervaart dat die weg niet doodloopt, dat je inzet niet te vergeefs is.

Onvoorwaardelijk kiezen, het is misschien te ingrijpend, te zwaar voor ons maar ga maar gewoon op weg, draag wat je kunt dragen. Zorg voor hen die jou zijn toevertrouwd, en gaandeweg doe je de kracht op die je ervoor nodig hebt. Gaandeweg merken wij dat God met ons meegaat.
Amen.

Arockiadoss o. praem