4 en 5 januari 2020: Openbaring van de Heer. Driekoningen

Jesaja 60,1-6 en Matteüs 2,1-12, A-Jaar

VERKONDIGING

Kerst achter de rug, een kind is ons geboren. Nieuwjaar overleeft, geen verlies van vingers of ogen. 12 Uur meegemaakt of gewoon wat vroeger naar bed en wakker worden in het nieuwe jaar. Twee duizend twintig of modern gezegd: twintig twintig.

Een nieuw jaar staat voor ons klaar. Wat zal het brengen? Duizenden vragen kunnen wij bedenken. Zal er een 2021 voor mij zijn? Vragen die soms een beetje pijn doen, die we niet willen stellen en toch moeten wij er antwoord opgeven. Zoals wanneer je in een ambulance komt te liggen de eerste vraag is of je gereanimeerd wilt worden. Ik wil geen antwoord geven, ik wil er niet mee bezig zijn. Het hoofd heeft genoeg aan het lichaam. En dan wensen wij elkaar een Zalig Nieuwjaar. Zalig, hoe zo zalig?

Vanuit ons menselijk perspectief kun ja dat bijna niet zeggen maar van het Godsmens perspectief kan het wel!

Kerst heeft ons dat kleine kind gegeven. Ogenschijnlijk onbeschreven, puur, oprecht, onschuldig. Een pasgeborene waarbij je weg smelt. Zo’n lief klein onbeholpen mensje die gelukkig wordt aan de borst van zijn moeder. Zo’n kind is ons geboren. Een kind met een Goddelijke belofte. Bij de profeet Jesaja horen wij, lang voor de geboorte van Jezus, een lofzang op het nieuwe Jerusalem, het beloofde land dat bezocht gaat worden door de mensen uit het oosten met hun geschenken van Goud en Wierook.

In de stal van Jezus komen eerst de herders op bezoek en daarna de Wijzen uit het oosten. Goud Wierook en Mirre brachten zij mee voor dit pasgeboren kind. Dit kind wat niet onbeschreven bleek. Dit kind wat toen al zijn ouders oversteeg. Dit kind, het kind van God, was klaar om te ontvangen.

God had de wijzen een ster gegeven, hoog aan de hemel, gemakkelijk te volgen en zo konden ze op weg. Op weg naar dat kind van Bethlehem. Kind ons gegeven, Koning van het nieuwe leven.

In de wereld van toen was er al een koning. Waren er Hogepriesters en Schriftgeleerden. Iedereen had zijn eigen belang bij deze nieuwe koning. Herodes moest weten waar het kind was. Blijkbaar was hij niet door God aangeraakt want hij zag de ster niet. De Hogepriesters en Schriftgeleerden wilde ook niets weten van een andere koning. Het zou hun plek kunnen bedreigen. Dus … zwijgen en er bijblijven.

Onze wijzen, onze 3 Koningen gingen verder, volgden de ster om dat kind te vinden in een stal. In een kribbe gevuld met wat hooi, verwarmd door een os en ezel. Beschermt door een vader en moeder. Jezus de zoon van Jozef uit het geslacht van Koning David. Weerloos en klein en toch zo groot.

Voor dit kind kwamen ze van hun kamelen af, heidenen van ver weg. Op hun knieën voor dit kind. Gaven de meegebrachte cadeaus aan Maria en Jozef. Goud Wierook en Mirre. Koninklijke cadeaus voor een kindje van ogenschijnlijk niets.

God had ze de weg gewezen en vervuld gingen ze weer op weg naar huis. Als andere mensen, als Godsmensen. Herodes werd ontweken. Niemand had behoefte om deze man te ontmoeten.

Als Godsmensen kwamen ze thuis. Zij waren na de herders van het veld de eersten die Gods zoon gezien hadden. Zij waren gevuld met het nieuwe leven.

God had hen geroepen om op weg te gaan. Een blinkende ster aan de hemel had hun de weg gewezen.

En dan is het maandag 6 januari 2020. Driekoningen. Toen wij jong waren gingen wij de straat op met lampion of brandende ster. Zongen een eenvoudig liedje of een mooi meerstemmig gezang als we met meerderen waren. Gingen langs de deuren, belden aan waar we nooit zouden aanbellen. Deuren werden geopend, oren gericht en zingen maar over dat pasgeboren kind in Bethlehem. Wij waren die kleine koningen die vertelden over dat nieuwe leven, over die zoon van God.

Wij deden het, zonder schaamte, gewoon het verhaal zoals dat ons was overgeleverd. En nu?

Durven wij maandag tegen de mensen om ons heen te vertellen van de geboorte van het Kerstkind. Nemen wij onze buren mee naar de Kerststal en vertellen dan verhalen over onze God aan elkaar?
Durven wij maandag naar buiten te kijken om Gods ster te zien?
Durven wij de uitgestoken hand van de ander te nemen als teken van nieuw leven?
Durven wij klein te zijn?

Die God van het leven, heeft ons uitgekozen, die God weet wie we zijn. Mensen, Groot en Klein, mensen die zwijgen die schreeuwen. Mensen die stralen, die lijden. Mensen die goed of slecht zijn.
Wij zijn allemaal gekend door die ene God. Het is aan ons om het te nemen. Openstaan voor het goede. Ons hart richten naar dat kind van het nieuwe leven. Richten naar die Vader Moeder God van mensen.

Maandagochtend zal ik voor het ochtendgebed een klein liedje zingen. Zo heel zachtjes in de auto voor mijzelf: “Drie Koningen, Drie Koningen, geef mij een nieuwe hoed. De oude is versleten. Ons moeder mag het niet weten. Ons Vader heeft het geld al op de toonbank neer geteld.”

Amen.

Jan Claassen, participant Norbertijnen