6 en 7 april 2019: 5e Zondag van de Veertigdagentijd

Jesaja 43,16-21 en Johannes 8,1-11, C-Jaar

VERKONDIGING

“Blijf niet staren op wat vroeger was. Sta niet stil in het verleden. Ik, zegt Hij, ga iets nieuws beginnen het is al begonnen, merk je het niet?”
Een tekst van Huub Oosterhuis geschreven naar aanleiding van onze eerste lezing van vandaag uit Jesaja. In de zeventiger jaren van de vorig eeuw zongen wij deze tekst voor het eerst in canon. De Driekoningenkerk was tot de nok gevuld en iedereen kon zingen. En het volk zong. Wij zongen!

En … wij waren er van overtuigd dat het al begonnen was en dat wij deelgenoten waren van dat proces, van dat nieuwe leven. Samen, samen op weg naar dat land van God.

2019 En de tekst van Jesaja komt weer voorbij. Meteen moet ik aan het thema van ons hongerdoek denken: “Mens, waar ben je?”
Waar ben ik dat ik deze oproep van onze Heer kan verstaan. Het is al begonnen, merk je het niet?

De criticasters van onze tijd zeggen dan: wat is er dan begonnen? Zijn jullie helemaal gek geworden? Hebben jullie, mensen van de kerk, helemaal geen geheugen? Alle media hebben vol gestaan met de Nashville statement uit Amerika. Daarin werd uitgelegd hoe wij met seksualiteit moeten omgaan. Wat wij moeten vinden, als wij “echte” Christenen zijn over onze eigen geaardheid of over de geaardheid van onze kinderen of kleinkinderen. Hoe wij de moraal hoog moeten houden. Geen pardon. Man en paard wordt genoemd. De weg is recht! Dus … lopen.

Maar dan onze Evangelielezing van vandaag.
Die vrouw die bij Jezus gebracht wordt. Beschuldigd van overspel. Nou zeg het maar Jezus, wat moeten we met haar doen? En Jezus maakt zich klein, richt zich naar de aarde en schrijft. Dan richt hij zich op, heft het hoofd in de lucht alsof hij contact maakt met de hemel en zegt: “Wie van jullie zonder zonde is, laat die als eerste een steen naar haar werpen” en bukt weer. Is weer in zichzelf en schrijft met zijn vinger in het zand.
De Farizeeën en Schriftgeleerden druipen af. Niemand neemt een steen op, niemand werpt een steen. En Jezus zegt tegen de vrouw: “Ik veroordeel u ook niet. Ga naar huis en zondig niet meer”.

Geen oordeel uit zijn mond!
Daar hadden wij als kerk misschien in de afgelopen jaren wat beter naar kunnen luisteren. Geen oordeel.

Wij, mensen van de kerk, wisten het zo goed. Wij, mensen van de kerk, konden perfect iedereen de spiegel voor houden. Waren meester in het benoemen van goed en kwaad. Vooral bij een ander.
Weinig, zeer weinig hebben wij naar ons zelf gekeken. De spiegel van de vastentijd werd niet groter dan de deksel van ons snoeptrommeltje.

Met macht aan onze kant hebben wij mensen, mannen en vrouwen, kinderen en volwassen pijn gedaan. Hebben wij mensen voor het leven gekwetst, beschadigd. En tegelijkertijd namen wij anderen de maat.
Natuurlijk weet ik dat het overal voorkomt waar mensen in een afhankelijkheidspositie zitten maar wij zijn mensen van de kerk. Wij zijn mensen die verhalen vertellen over liefde, die verhalen vertellen over die God van mensen. Wij zijn mensen waar macht geen rol mag spelen. Waar de kleinste de eerste zou moeten zijn.

De wereld zou ons, onvoorwaardelijk, moeten kunnen vertrouwen want dan zijn we als zijn zoon. Jezus die verbinding maakt tussen hemel en aarde, Hij die ons Godsmensen maakt. Mensen van liefde, mensen zonder veroordeling. Mensen die er zijn voor een ander.

God zij dank hebben wij een God die altijd opnieuw wil beginnen. Die zijn verbond met mensen trouw blijft.

Dan kunnen we de woorden van Jesaja opnieuw verstaan:
Blijf niet staren op wat vroeger was.
Sta niet stil in het verleden.
Ik, zegt Hij, ga iets nieuws beginnen
het is al begonnen, merk je het niet?

Aan ons om het te nemen. Ons hart te openen en te zeggen: Ik ben thuis.

Maar wat schreef Jezus eigenlijk in het zand?
Ik denk: Mens, waar ben je?

Amen.

Jan Claassen, participant Norbertijnen