6 september 2020: 23e Zondag door het jaar

Ezechiël 33,7-9 en Matteüs 18,15-20, A-Jaar

VERKONDIGING

In de lezingen die we vandaag hoorden, wordt een beroep op ons gedaan: om om te zien naar onze naasten en elkaar op de goede weg te houden. Dat lijkt op het eerste gehoor misschien een makkelijke opdracht, maar kan in de praktijk van alledag best nog eens tegenvallen. Zijn wij wel bereid, ertoe in staat, om op een constructieve manier de ander aan te spreken? Ik zei het vorige week al: het is zo gemakkelijk om even een boos berichtje te typen op de sociale media en zo ons hart te luchten, of een ander de maat te nemen. Kijk maar naar wat minister Grapperhaus over zich heen kreeg afgelopen week. Niet echt wat vandaag van ons gevraagd wordt …

“Jou, mensenkind, heb ik als wachter aangesteld”, zo spreekt de Stem van God tot de profeet Ezechiël – maar spreekt ze ook niet tot ons? Is het niet zo dat de taak die Ezechiël krijgt, om de mensen die afdwalen te waarschuwen dat ze op de verkeerde weg zijn, ook nu nog onze taak is? Bij Ezechiël gaat het zó ver dat hij verantwoordelijk wordt gehouden voor de dood van een ‘slecht mens’ als hij heeft nagelaten deze te waarschuwen dat hij een andere weg moet inslaan.
“Ben ik dan soms mijn broeders hoeder?” Die vraag klinkt vanaf het begin van de Bijbel – uit Kaïns mond, nadat hij zijn broer Abel gedood heeft en God hem vraagt ‘Waar is je broer?’ – tot aan het eind toe steeds weer opnieuw, in allerlei variaties en toonaarden. Ook vandaag. En het antwoord laat zich raden: ja, ik ben de hoeder van mijn broeders en zusters hier op aarde. Wij moeten elkaar een steun en toeverlaat, een naaste zijn. Als wij het niet doen, wie doet het dan wel? We hebben de opdracht om goed voor elkaar te zorgen. Ik zag het laatst mooi verwoord op een bordje in een winkel: ‘Zorg goed voor jezelf, en beter voor elkaar’.

Jezus geeft zijn leerlingen – en daarmee ons – een soortgelijke opdracht. Hij heeft juist een verhaaltje verteld over een man die honderd schapen heeft, waarvan er één zoek is. En als hij het gevonden heeft, verheugt hij zich meer over dat ene dan over die negennegentig andere. En zo moeten wij er dus voor zorgen dat ook niet één van onze kudde verloren loopt. Hoe bijvoorbeeld bij ruzie te handelen, wat doe je met je naaste die een misstap begaat? Matteüs dringt erop aan het niet van de daken te schreeuwen (dus geen sociale mediaberichten) en ook geen roddelcampagne te beginnen. Spreek hem, of haar, er onder vier ogen op aan. Praat mét hem, niet óver hem. Dan kan de fout zonder gezichtsverlies hersteld worden en is een geruisloze terugkeer in de groep mogelijk. Als dat niet werkt kun je er een of twee anderen bijhalen en het nog eens proberen, en tenslotte kun je het voorleggen aan de hele groep, de gemeente. Een heel zorgvuldige manier van handelen, waar wij met onze vaak verhitte gemoederen nog wat van kunnen leren. Het elkaar vermanen, aanspreken op ‘fouten’, is hier duidelijk bedoeld als manier om elkaar op de rechte weg te houden, niet om de ander te verketteren.

We moeten elkaar dus als het ware bij de les houden, gezamenlijk de koers uitzetten naar een betere wereld dan deze door naar elkaar om te zien. Als hoeders, herders, wachters … Die wachters zijn tegenwoordig trouwens ook weer letterlijk aanwezig: de rol van de vroegere suisses is in deze kerk weer in ere hersteld, zij wijzen ons de juiste weg naar een plaats in deze ruimte. Rekening houdend met wat mag en kan, zonder anderen of onszelf in gevaar te brengen, geven zij de richting aan.
Precies op die manier is het met ons geloof gesteld, er wordt een richting gegeven: bouw aan dat rijk van God, aan gerechtigheid, aan liefde en trouw. Maar het wordt ons niet in de schoot geworpen. We krijgen een richting maar moeten het wel zelf doen. En dat kun je niet in je dooie eentje. Daarom bemoedigt Jezus ons ook door te zeggen dat waar wij met twee of drie in zijn naam bijeen zijn, hijzelf in ons midden is. Waar slechts enkele mensen van goede wil met elkaar samenkomen, daar mogen we God aanwezig weten. Ik zei het vorige week aan het slot van mijn overweging: je staat niet alleen, je mag steun verwachten van mensen om je heen, zelfs van God zelf misschien. De woorden uit het evangelie van vandaag bevestigen dat nog eens.

God daagt ons uit om Haar weg te gaan, geen makkelijke weg, maar Hijzelf geeft ons richting en houdt ons gaande. Als we gaan zitten wachten tot het vanzelf gebeurt, dan verandert er niets, blijft alles bij het oude. Enkel als we – met al onze vragen en twijfels – op weg gaan, komen we dichter bij dat Rijk van God, die wereld vol van vrede en recht voor allen. Dan maken we die droom van God-in-mensen waar, maken we God zichtbaar in deze wereld. Daartoe mogen we God vragen:

“Herschep ons hart, heradem ons verstand,
dat wij elkaar behoeden en doen leven.
Maak ons tot uw gemeente,
wees de stem die ons geweten wekt.
Verberg u niet.”

Amen.

Arthur van Tongeren, gastpredikant