Bidden

Preek op de 5e Zondag van de Veertigdagentijd

Zondag 7 april 2019, jaar C
Door: Joost Jansen o.praem.

Lezingen: Jesaja 43,16-21; Filippenzen 3,8-14; Johannes 8,1-11

Zondigen doen we niet meer en de biecht is afgeschaft. Gelukkig dat we deze loden last van schuldbesef van ons hebben afgelegd. We zijn nu vrije mensen geworden. Daarom gaat het ook zo goed met ons…

Met veel mensen gaat het goed, dat is waar. Echter de psychiaters hebben het nog nooit zo druk gehad, de wachtlijsten zowel voor volwassenen als voor kinderen zijn lang. Soms moet je maanden wachten voor een eerste contact met een behandelaar. Waar is het fout gegaan? Is het de stress van het steeds beter en meer moeten presteren? Is het de vereenzaming die nu ook in onze dorpen groeiende is? Zijn het de relaties die meer en meer ingewikkeld worden met alle varianten die we vandaag hebben? De pastoor van Amsterdam is volop in het nieuws en wij als abdij staan ook in de belangstelling. Wie is schuldig? De vrouw die voor Jezus geleid wordt? De man die met haar naar bed is gegaan, misschien wel mannen want we hebben ook de vrouw bij de bron in het Johannes evangelie die er vijf heeft gehad (en wellicht meer)? Of de Schriftgeleerden en Farizeeën die met hun gelijk aan hun kant haar aanklagen? We weten: er zijn nooit winnaars in zulke omstandigheden. Ieder heeft zijn eigen plek in een ingewikkeld netwerk, niemand is vrij te pleiten. Ieder draagt schuld en allen zijn wij ergens onvrij.

Hoe om te gaan met schuld, met zonde, met het kwaad? Een goede vraag in deze en elke Veertigdagentijd. Want we staan stil bij de kwetsbaarheid van ons mens-zijn, voor ieder persoonlijk, maar ook de kwetsbaarheid collectief, de rottende plekken in onze wereld, of de plaatsen waar de armoede mensen onvoltooid door het leven doet gaan. Kijkt u maar eens goed naar de wanden met de foto’s uit India, al die mensen die we willen ondersteunen met ons vastenactieproject. Dee mensen dragen wellicht geen schuld, misschien ligt de schuld bij ons in landen van overvloed. Merkt u: onwillekeurig stellen we de schuldvraag….

Het antwoord van Jezus is onthutsend. Hij buigt zich voorover en schrijft met zijn vinger op de grond. Hij doet het tot twee keer toe. Durft Hij geen stelling te nemen? Trekt Hij zijn handen er van af, sterker nog: wast Hij zijn handen in onschuld zoals Pilatus doet als Jezus over twee weken voor hem staat? Of duidt dit voorover bukken en in het zand schrijven op iets anders. Bij mij roept het nederigheid op, de bekende ‘humilitas’, die verwijst naar de humus, de aarde waaruit iedere mens is opgebouwd, geboetseerd door de Schepper. Mens weet dat je van aarde bent, wie ben je om een ander zo te veroordelen dat hij of zij in wezen gedood wordt. Dan wel niet met stenen maar in ieder geval wel met onze veroordelende blikken en woorden.

Verwijzen naar je eigen kwetsbaarheid, verwijzen naar wie je in wezen bent, geschapen naar Gods beeld. Met het bevrijdende: Ik veroordeel je niet. Is dat alles? Is het zo eenvoudig? Een algemene opmerking van: veroordeel maar niet… Het kan nog betekenen: ik bemoei me niet verder met jou. Ieder heeft zijn eigen gelijk. Ik hoor dat mensen vandaag zeggen. Ieder in zijn waarde laten… Neen, zo eenvoudig is dit niet hier in deze boodschap van Jezus. Want het ‘Ik veroordeel u niet’ wordt gevolgd door: ‘en zondig niet meer’. Dus ‘zondigen’ bestaat wel. Zonde heeft altijd te maken met relaties. Het beschadigen, het verstoren zelfs, nog erger: het verbreken van relaties is zonde. Niet ”t is zund’, het is echt zonde. Zonden zijn niet overtredingen van een paar afspraken of gewoonten. Zonde is het verstoren en verbreken van relaties. We zijn geneigd om dit te betrekken op relaties tussen mensen. Het gebeurt echter op grote schaal tussen landen en volkeren. Er zijn voldoende voorbeelden te vinden vandaag. Een muur optrekken tussen twee landen is zuiver zonde, mensen weigeren is zonde, onze relatie met moeder aarde verstoren is ook zonde (in de scherpe betekenis van het woord).