Bidden

Preek op Palmzondag

Zondag 14 april 2019, jaar C
Door: abt Denis Hendrickx o.praem.

Lezingen: Zacharia 9,9-10; Lucas 19,28-40

Gezeten op een ezel, zo trekt Jezus Jeruzalem in. Het volk, de mensen drommen naar voren: ze bejubelen Jezus als koning. Ze zwaaien hem toe met takken en palmen. Jeruzalem de stad waar wordt binnengetrokken, Jeruzalem de stad welke in veler harten toen symbool is geworden en tot nu toe is gebleven van aan de ene kant belofte, toekomst en vrede, maar aan de andere kant geweld, haat en gedeeld leven.

Met het evangeliefragment van de intocht trekken wij als het ware de ‘Goede Week’ in. Een week welke vol is van spanningen en tegenstellingen: verwachting en verguizing en verheerlijking, eerbied en ontzag, maar ook vernedering, sterven, verrijzen, dood en leven.

Vandaag op de eerste dag: een koninklijke intocht en de aankondiging van Jezus’ lijden en sterven. Er zijn in de loop van de geschiedenis heel wat standbeelden opgericht van beroemde personen zittend op een paard of staande op een sokkel, tronend boven mensen uit. Koningen, keizers, geleerden, kampioenen… Hoe anders is dat beeld vandaag van de intocht van Jezus in Jeruzalem. Geen machtige stoet van paarden en ruiters, geen koetsen en wagens; niet als een held, niet als een overwinnaar. Niet hoog te paard, maar gewoon op een ezeltje. Geen vaandels, geen trompetten of bazuinen, geen notabelen, geen elite. Mensen uit het volk, zij roepen Hem toe. Maar goed ook, eigenlijk: want goud en glitter, ceremonieel en dikdoenerij, uitsloverij en vlaggevertoon, klaroengeschal en getrompetter… ze zouden alleen maar verbergen wat hier werkelijk aan de hand is; ze zouden de eigenlijke boodschap doen verstommen of overschreeuwen. Jezus uit Nazareth in Galilea – de profeet, zegt het volk – Jezus is op weg zijn zending door de vader tot vervulling te brengen, zijn zending als de Messias. Jezus is op weg naar Jeruzalem: stad van vrede, stad van ons hart, stad van veler dromen. Jeruzalem het symbool: zo wil God het, mensen die in vrede leven, die samen delen… Jezus is op weg naar Jeruzalem, waar hij zijn zending zal voltooien: In het dienstbaar zijn aan zijn leerlingen door hen de voeten te wassen; in het breken en het delen van brood en beker tijdens zijn laatste avondmaal; in zijn sterven op het kruis en in zijn opstanding. Het is helemaal niet die weg, maar een heel ander beeld, dan velen zich hadden voorgesteld van de Messias.

Zo’n ander beeld roept meteen de vraag op: welke voorstelling hebben wij van onze zending, onze roeping in onze wereld? Als God ons uitzicht op toekomst gunt, hoe dromen wij daar naar toe? Welke voorstelling hebben we er eigenlijk van? En hoe verschillend zal het zijn: als jongere met hopelijk nog een hele en lange toekomst voor ogen, als oudere menselijkerwijs gesproken in de nadagen van het leven. Als God ons uitzicht en toekomst gunt, hoe dromen wij daar naar toe? Trekken wij door een wereld in het besef dat alles ons gegeven is; dat wij al het goede aan de Heer moeten teruggeven, aan de Gever van alle goeds; dat wij slechts beheerders zijn van Gods goede gaven- van zijn schepping – en daarvan mogen genieten; dat wij de aarde niet mogen uitputten om zo toekomst mogelijk te maken, maar meedoen met de spijbelaars om te laten zien en te laten horen dat aan een andere toekomst gewerkt moet worden; dat wij rechtvaardig zijn en eerlijk en dat wij onze stem verheffen tegen onrecht om zo anderen tot hun recht te laten komen en vrede scheppen voor elkaar; dat wij onze rijkdom – in welke vorm dan ook – delen met elkaar om zo anderen te laten delen in de vruchten van het goede van deze aarde. Kunnen/durven wij zo te dromen? Kunnen/durven wij tegen deze achtergrond met woorden van profeten te stellen…zonder dromen, zonder visioenen verwildert het volk… Is het niet zo dat als wij niet meer dromen, geen visioenen meer hebben, geen verwachtingen… zouden we dan nog ergens de kracht vinden om ons in te zetten voor een nieuwe betere wereld.

Misschien dat dan ook in onze tijd Jezus nog steeds op een ezeltje onze gemeente, ons land, onze wereld binnenrijdt. En dat wij Hem nog steeds kunnen toeroepen: gezegend Hij die komt in de naam van de Heer. En wil dat niet zeggen: Er gloort toekomst als wij maar mensen durven te zijn dan verder kijken en zien dan hier en nu. Zalig zijn zij die vooruitlopers waren, die ons voorgingen… Wat een geluk eigenlijk dat zij niet opgaven, maar doorgingen, elke keer weer. Wat een zalige mensen eigenlijk die ons dat visioen voorhielden en voorhouden, wat een geluk dat zij laten zien wat het is niet op te willen geven.