Bidden

Preek in de Kerstnacht

Maandag 24 december 2018, jaar C
Door: abt Denis Hendrickx o.praem.

Lezingen: Jesaja 9,1-6; Titus 2,11-14 en Lucas 2,1-14

‘Het volk dat in het donker wandelt, ziet een groot licht’ zo luidden de eerste woorden van de profeet Jesaja welke zojuist in de eerste lezing klonken. En wat zien wij in dat grote licht? Wat wordt er dezer dagen allemaal overbelicht of juist onderbelicht. Kijkend naar de kerststal, luisterend naar het verhaal van deze nacht worden we geconfronteerd met een kind in de kribbe. Ze staan er weer: Maria, de zorgzame moeder en krachtige vrouw. Voor zovelen is zij de contactpersoon met O.L. Heer. Daarom altijd zoveel kaarsjes bij haar beeltenis. En dan Jozef: vol zorg in de directe nabijheid van Maria en haar pasgeboren zoon. Vervolgens de herders: het gewone volk net als wij. Zij zijn bezig met hun dagelijkse beslommeringen en dan de uitnodiging om even verder te kijken. En ze doen het, ze gaan op zoek. Ze vinden geen goud of rijkdom, geen weelde of praal, maar een kind in een voederbak. Kan het simpeler? En wat geeft het een vreugde.

En ook het grote volk: de koningen. God, rijkdom en macht vervult niet hun behoeften. Ze zoeken verder, en wat zien ook zij? Een kind in een voederbak.

God is mens geworden zo heet het, een idyllisch tafereeltje dat heel wat kunstenaars in de loop van de geschiedenis heeft uitgenodigd om er verbeeldingen van te scheppen: in beeld, in woord en op muziek gezet.

Laten we dat gebeuren van deze nacht eens wat nadrukkelijker bekijken en laten we bij de hoofdfiguren eens wat stilstaan. Wie zijn die Jozef en Maria eigenlijk? Wat zijn dat voor mensen? Want iedere mens is anders en sommigen zijn heel sympathiek en met anderen kun je nog geen rechte voor ploegen. Ik denk dat de ouders van dat kind van deze nacht twee sympathieke, eenvoudige en gelovige mensen waren zonder al te veel pretenties of kapsones. Een eenvoudig ouderpaar van gewone mensen en eenvoudige komaf die niet gewend waren in het gezelschap te vertoeven van allerlei hoogwaardigheidsbekleders. Mensen van het gewone volk met het hart op de goede plek en als gelovigen leefden ze in afwachting van de komst van een redder, een verlosser die God zou zenden.

En dan die herders? Wie en wat waren zij? Volgens mij moeten we in ieder geval vergeten wat dat liedje zegt van die herdertjes bij nachte. Voor mij roepen ze ook niet de sfeer op van die grote stille heide, waar de herder eenzaam ronddwaalt met zijn witgewolde kudde en misschien her en der nog een zwart schaap er tussen. Volgens mij waren in de tijd van Jozef en Maria herders ruwe bonken die je met enig wantrouwen bekeek. De herders waren eigenlijk helemaal niet zo’n sympathieke mensen. In normale omstandigheden hadden Jozef en Maria hun gezelschap gemeden. En toch zien we nu hier bij de kribbe Jozef en Maria en de herders. Jozef en Maria hadden de deuren van hun tijdelijke verblijf wijd open gezet voor deze ruwe bonken.

En de drie koningen, wat waren dat voor mensen? Waren het geen magiërs, waar wij in de loop van de tijd koningen van hebben gemaakt? Van die mensen die zich met soms wat duistere praktijken bezighielden. Niet alles wat zij deden kon het daglicht verdragen. Zij meenden in de sterren toekomst van mensen te kunnen lezen. Tovenaars zouden wij ze noemen of misschien wel waarzeggers van de kermis. Dat bescheiden plattelands echtpaar moet hun gezelschap als heel bedreigend hebben ervaren: heidenen uit een ver en onbekend land met heel andere religieuze praktijken. Toch hebben Maria en Jozef hun deur ook voor hen open gezet en zo staan ze er samen met de herders bij de kribbe van het pasgeboren kind.

Wat is de boodschap van dit alles, wat wordt ons voorgehouden? Misschien is deze boodschap wel niet zo erg welkom bij ons want wij worstelen met onbekenden en vreemden in ons midden. Uit Afrika, uit Azië, uit Zuid-Amerika en nog veel meer landen. Waarom moeten vluchtelingen hun leven en dat van hun familie op het spel zetten om asiel aan te vragen? Deze mensen hebben in grote wanhoop hun geboortegrond verlaten omdat ze er niet meer konden leven of omdat ze vervolgd werden. Een veilige overtocht en plek bij vervolging organiseren we niet, we laten ze dobberen op gevaarlijke wateren. We proberen ze te weren. We laten politici en andere verantwoordelijken hun gang gaan hen tegen te houden of over de grens te zetten. Letterlijk worden er aan landsgrenzen hoge muren gebouwd en prikkeldraad versperringen aangelegd.

Het is duidelijk dat er heel wat verschillende meningen heersen welke soms wel heel erg ver gaan: Ze wonen in onze huizen, ze pikken ons werk in, ze stelen onze rijkdom en ze zetten al onze sociale voorzieningen op de tocht.

Ja, en dan kijk ik weer in de kribbe. Ik zie Jozef en Maria, samen met die ruwe herders, samen met die vreemde magiërs om de kribbe heen staan. En dan versta ik de boodschap van kerstmis. U ook?