Bidden

Preek op Allerzielen

Vrijdag 2 november 2018, jaar B
Door: abt Denis Hendrickx o.praem.

Lezingen: Wijsheid 4,7-15; Johannes 11,17-27

In een tijd dat alles afsterft in de natuur vieren en gedenken. Twee dagen die wij van oudsher kennen als Allerheiligen en Allerzielen. Twee gescheiden dagen maar eigenlijk helemaal horend bij elkaar. Vorig jaar mocht ik medebroeders Norbertijnen bezoeken in hun parochies rond de abdij van ‘De Pere’ in de deelstaat Wisconsin. In een van de parochiekerken werd ik bijzonder getroffen door een wel heel speciale plaats van herdenken: allerlei foto’s aan de wand van officieel door hoge kerkelijke instanties heilig of zalig verklaarde mensen en foto’s van tot heiligen en zaligen gemaakten door mensen. En tussen al die foto’s naambordjes me overledenen van het afgelopen jaar. Ee prachtiger beeld van samengaan van Allerheiligen en Allerzielen is nauwelijks voor te stellen. Twee dagen die daarom voor mijn gevoel onlosmakelijk bij elkaar horen.

Allerheiligen een dag van allen die naam hebben gekregen en Allerzielen een gedenkdag van allen die naam hebben in harten van mensen. We zijn nog steeds bedroefd over mensen die niet meer in ons midden zijn en met woorden van Johannes willen we tegelijkertijd zeggen: Wij hopen en we willen geloven dat niet de dood het laatste woord heeft, maar het leven.

Centraal staat vandaag de uitspraak van Jezus: ‘Ik ben de verrijzenis en het leven! Wie in mij gelooft, zal leven, zelfs al is hij gestorven’. Een bemoedigende boodschap van hoop op leven! Maar wat dan met al die gevoelens van verslagenheid, gemis en verdriet omwille van dierbaren die ons ontvallen zijn. In dit verband zou ik woorden in herinnering willen roepen van Dietrich Bonhoeffer die hij schreef in 1943:

“Als je van iemand houdt en je bent van hem of haar gescheiden, kan niets de leegte van die afwezigheid opvullen. Je moet dat niet proberen, je moet eenvoudig aanvaarden en volharden. Dat klinkt hard maar het is een grote troost, want zolang die leegte blijft, blijf je aldoor met elkaar verbonden. Het is fout te zeggen: God vult die leegte. Hij vult haar helemaal niet… integendeel. Hij houdt die leegte leeg en helpt ons zo de vroegere gemeenschap met elkaar te bewaren, zij het dan ook in pijn. Hoe mooier en rijker de herinneringen, des te moeilijker de scheiding. De mooie dagen van vroeger zijn geen doorn in het vlees, maar een kostbaar geschenk dat je meedraagt. Je moet zorgen dat je niet in je herinneringen blijft graven en je erin verliest; een kostbaar geschenk bekijk je niet aldoor, maar alleen op bijzondere ogenblikken. Buiten die ogenblikken is het een verborgen schat, een veilig bezit. Dan wordt het verleden een blijvende bron van vreugde en kracht” (einde citaat).

Met andere woorden zouden we kunnen zeggen: het boek van het leven van de overledene wordt gesloten, maar niet vernietigd. De dood is een harde realiteit, een onomkeerbare breuk, maar christenen hebben toch een toekomstperspectief. Het klonk in het evangelie. Maar hoe die toekomst er uit zal zien….Er bestaat maar één zinvol antwoord op de vraag hoe het leven na de dood eruit zal zien: helemaal anders, niet met mensenwoorden te beschrijven.

Het evangelie vraagt van ons niet, ook niet vandaag, dat wij ons van het ene moment op het andere over kunnen geven aan die woorden van Jezus. Daar mag, daar moet je de tijd voor nemen, de tijd van rouw, de tijd om die breuk in je leven echt bij je binnen te laten, de tijd om die wond de kans te geven te genezen. En ook dan… er blijft een gevoelig litteken over. En hoe dieper, hoe inniger de band was met wie stierf, des te gevoeliger zal dat teken blijven. Meer dan op andere dagen mogen wij woorden in de mond nemen die te groot zijn, maar die heel diep geworteld zijn in het hart van onze geloofsgeschiedenis: Ik geloof in, ik vertrouw mij toe aan de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven.