Bidden

Preek op de 15e Zondag door het jaar

Zondag 14 juli 2019, jaar C
Door: abt Denis Hendrickx o.praem.

Lezingen: Deuteronomium 30,10-14; Kolossenzen 1,15-20; Lucas 10,25-37

Een wetgeleerde komt bij Jezus. Zo begint het evangelieverhaal van deze dag. Hij wil weten wat hij moet doen om goed en voluit te leven. Hij vraagt het daarom aan Jezus. Jezus geeft geen antwoord, maar vraagt hem wat de wetgeleerde zelf weet: wat staat hierover in de wet? De wetgeleerde kent het antwoord : ‘God beminnen en je naaste als jezelf’. Het dubbelgebod van de liefde. Het enige wat Jezus hierop zegt is: ‘Ga en doe dat. De wetgeleerde wil weten of Jezus de wet kent en vooral de toepassing van de wet. Hij is het met het verloop van het gesprek niet eens. Hij wil een discussie uitlokken om het Jezus moeilijk te maken. Daarom stelt hij Jezus de vraag: ‘Wie is mijn naaste?’ Als antwoord verwacht de wetgeleerde dat Jezus zal zeggen: je familie, je vrienden, je buren en de inwonende vreemdelingen. Volgens veel wetgeleerden golden eigen familie, volks- en geloofsgenoten en inwonende vreemdelingen als hun ‘naasten’. En dan volgt een van de mooiste verhalen uit de Nieuwe Testament.

Het verhaal van het evangelie van vandaag is zo bekend dat het gevaar bestaat dat we maar met een half oor geluisterd hebben. Ik weet wel dat een goed verstaander aan een half woord ook genoeg heeft, maar het gaat hier wel om een ‘kruispunt’, een cruciaal moment: de ontmoeting met iemand op zoek naar de kortste weg die naar het ‘eeuwig leven’ voert, een God-zoeker die het pad kruist met ‘De Weg’ zelf, een beslissende ontmoeting waar wij ons voordeel mee kunnen doen. De vraag is niet: Wie is mijn naaste? Maar: voor wie ben ik een naaste?

‘Doet gij evenzo’, doe als die Samaritaan. (Hij leefde dan niet volgens de regels van de uitverkorenen). Maar hij liet zijn hart spreken, toen hij de man aan de kant van de weg zag en hij kreeg medelijden. Een mens naar Gods hart, met hart voor Gods schepping, neergeslagen, klein gekregen, beroofd en berooid… Wie zou niet kotsmisselijk worden bij het zien van dit onrecht? Zalig zijn de barmhartigen die een warm hart hebben, die beroerd worden van het onrecht om hen heen.

Zien wij wat er zich afspeelt aan de rand van de weg, in de berm. Zien wij of zijn we ziende blind? Zien we wel of zijn we meer bedacht op onze eigen ziel en zaligheid? De priester en de leviet tonen immers zo’n gedrag. Moeten wij misschien constateren zoals ik eens las: ‘Vanmorgen was ik priester, vanmiddag was ik de leviet en vanavond zeg ik – net als gisterenavond – dat ik morgen de barmhartige Samaritaan zal zijn’.

Volgens Jezus – de mens die de weg kent, die de Weg is! – ontmoet je God vooral op de weg tussen Jeruzalem en Jericho; of anders gezegd: langs de weg! Kijk maar eens rond wat je zoal langs de weg tegenkomt afgedankte, weggegooide, uitgeplunderde, van de weg geraakte mensen, die het spoor bijster zijn… die niet verder kunnen. Maar de ‘kant van de weg ‘hoort wel degelijk bij de weg! Dus… kijk om en laat niets links liggen, wat je tegenkomt op de weg… Je hoeft niet op zoek te gaan, maar je hebt voldoende aan datgene wat zich aandient op je weg. Wees steeds een naaste. Maar langs de weg vind je ook het mooie, het vertederende, wat zorg verdient, kruid en onkruid (wat is eigenlijk onkruid?), bloem en plant, vogel en dier, werkende, zwoegende en genietende mensen: rustplaats van Gods schepping, vindplaats van theologie, vrij-plaats van God… Aan de kant van de weg, op een stop-plaats, in een parkeerhaven, in de berm: het kan er ook goed toeven zijn, want af en toe moet een mens rusten, bij komen, met anderen overleggen, een tukje doen, wat eten, op krachten komen.

Terzijde van alle drukte, op afstand, zie je de wereld anders; wordt veel betrekkelijk en misschien zie je weer de betrekking die het heeft met en op God, onze plaats binnen het grote geheel, de relatie/verhouding die wij hebben met God, met de anderen, met de natuur, met onszelf. Goed leren zien! Wij stellen graag de vraag vanuit onszelf. Wie is mijn naaste? En ik sta zelf in het middelpunt. In Jezus’ verhaal (Hij sprak in gelijkenissen) worden we uitgenodigd om zelf de plaats van ‘de gewonde’ in te nemen. Van daaruit mag je kijken en vragen stellen. Wie dan de naaste is wordt ineens vanzelfsprekend degene, die de ‘gewonde’ nabij is.

En misschien is het wel een eigen ervaring. Iemand zegt tegen je: ‘Wat jij laatst zei (of deed), dat zal ik nooit vergeten. Dat was heel belangrijk voor me’. Intussen pijnig jij je hersens af en vraagt: ‘wat voor bijzonders was dat dan?’ En het blijkt, een schouderklopje geweest te zijn, een bemoedigende knik, een woord van waardering, een vriendendienst, in ieder geval iets heel normaals… en je antwoordt: ‘Ja, maar dat was toch heel gewoon’. En dat is het ‘m nu juist! Waren wij maar altijd gewoonweg goed, vanzelfsprekend dienstbaar, de naaste bij. Dan waren we zalige mensen.