Bidden

Preek op de 3e Zondag van de Veertigdagentijd

Zondag 4 maart 2018, jaar B
Door: prior Joost Jansen o.praem.

Lezingen: Exodus 20,1-17; 1 Korintiërs 22-25; Johannes 2,13-25

Ik weet van Paus Franciscus dat je de Bijbel kunt openslaan en liturgie vieren onder een schaduwrijke boom of in een garagebox. Voor hemzelf is zijn vierplek toch vooral de Sint Pieter in Rome of de Sint-Jan van Lateranen, zijn bisschopskerk. Natuurlijk kunnen we overal bijeengebracht worden om liturgie te vieren, maar we worden verwend als we een mooie kerk tot onze beschikking hebben. Niet alleen omdat je jezelf beter voelt als alles netjes geregeld is en mooi, maar ook omdat je hiermee een teken stelt. Een kerk is toch wat anders als zo maar een ‘ruimte’ of een ‘zaal’. Een kerk heeft tekenwaarde. En als die tekenwaarde wordt aangetast dan tast je ook een beetje je geloof aan. Dat is wellicht de verklaring voor die heilige woede van Jezus.

Religieuze vernieuwing is vaak ontstaan rond een kerkje. De heilige Franciscus van Assisi hoorde bij het kerkje van San Damiano de opdracht van God: ‘Herstel mijn huis’ en onmiddellijk ging Franciscus aan de slag. Door het concreet opknappen van een vervallen kerk ontdekt hij dat het om veel meer gaat: de kerk van die dagen moet opgeknapt worden. Zocht frère Roger ook niet een kerkje in Taizé op – in de jaren 40 van de vorige eeuw – waar vandaag honderden, duizenden jongeren zelfs, een week tot bezinning komen?

Jezus veegt de Tempel schoon om een statement te maken. Zo’n verhaal dat we op weg naar Pasen krijgen is als het ware een parabel. Er zal ongetwijfeld iets gebeurd zijn. Er zullen ongetwijfeld kraampjes geweest zijn zoals in alle bedevaartsoorden, we kennen dat ook vandaag. De evangelist Johannes echter wil met name schilderen hoe vol passie, met een heilige woede, Jezus de zaak van God oppakt. Het is Zijn huis, dan moet het op orde zijn en doelgericht. Meer nog: wij zijn zelf dat Huis van God, wij zijn Zijn woning. Wij zijn geschapen naar Gods beeld en dan moet dat ook te zien zijn aan ons en aan zijn Huis dat we samen zijn. Hoe komen we daar toe?

Velen, misschien ook onder ons, zullen zeggen: door te bidden, door te communiceren met God. Natuurlijk. Maar door de keuze van de lezingen word ik toch even op een ander been gezet, terwijl het ‘bid-been’ blijft. De eerste lezing vertrouwt ons de Tien Woorden van God, de Tien Geboden, toe. Dat lijkt werken, dat roept actie op: doe dit wel, doe dat niet. Die Tien Woorden waren ook nodig om van die gevluchte slaven uit Egypte een volk te maken. De tocht door de woestijn, veertig jaren lang, voor ons veertig dagen lang, is nodig geweest om van een ‘zooitje ongeregeld’ een volk van God te maken. Toen. En vandaag is het niet veel anders. Door het verlangen van God, verpakt in Tien Woorden, te doen, communiceer je ook met Hem, laat je de persoonlijk band met Hem groeien. Ik moet denken aan mijn moeder die me – ik was de oudste thuis – met een briefje op pad stuurde om bij de supermarkt dingen te kopen. Soms moest ik zelf de keuze voor het ene of het andere merk maken. Een smartphone om mijn moeder te raadplegen was er nog niet. Ik moest me dus haar als het ware in mijn geest ophalen om de goede keuze te maken. Zo is dat ook met de Tien Woorden: God zelf is niet onmiddellijk voorhanden, maar we hebben zijn richting, zijn perspectief. Wij maken God aanwezig in het concrete van de dagelijkse dag. Hij geeft richting, ik moet het doen, wij moeten het doen. Paulus zegt ergens: Christus is mijn Tora, mijn levensrichting.

De Tempel, het Huis van God, wordt schoongeveegd. Wat hardhandig, maar dat vergeven we Jezus wel. Deze actie komt uit een bewogen hart, vol passie, met heilige woede. Ons huis zal ook gereinigd moeten worden, het huis van onze gemeenschap, het huis, het innerlijk, van ieder van ons. En deze twee schoonmaakacties, het uiterlijke werk en de innerlijke omkeer, gaan samen op. Je zuivert een gemeenschap alleen als ook de mensen zelf zich innerlijk door de Tien Woorden laten sturen. Het gaat om het dienen van die ene God en het dienen van de mens die ons is toevertrouwd. Het gaat om een – laten we zeggen – een heilige woede waarmee we anderen kunnen meenemen om werk te maken van ieders roeping. De roeping om op weg naar Pasen te leren je af te laten breken om met de Christus weer op te staan.