Bidden

Preek op de 3e Zondag van Pasen

Zondag 5 mei 2019, jaar C
Door: prior Frank van Roermund o.praem.

Lezingen: Handelingen 5,27b-32.40b-41; Openbaring 5,11-14; Johannes 21,1-19

Met dit laatste hoofdstuk van Johannes zijn we in zekere zin weer terug bij af. Van alle blijdschap over de verrijzenis van Jezus is niets meer te merken. De apostelen – de zeven althans waarvan hier sprake is – gaan weer verder waar ze gebleven waren op het moment dat Jezus hen riep, destijds, een goede drie jaar geleden: Ze pakken de draad van hun leven weer op, ze gaan weer vissen. Er heerst verslagenheid, zij ervaren hun leven als vruchteloos. Al hun getob: het haalt niets uit… Dit alles beeldend uitgedrukt in de ene zinnetje: ‘Ze vingen die nacht niets…’ Zonder Jezus lijken ze stuurloos, ze zijn weer terug bij af.

Maar dán, in de ontmóeting met de verrezen Heer wordt in één klap duidelijk dat hun inspanningen niét tevergeefs hoeven zijn. Op Jezus’ aanwijzingen gooien zij het over een andere boeg. Geen routíne dus, maar een niéuwe aanpak. En nú vangen ze in overvloed, maar liefst 153 stuks!

Dit prachtige verrijzenisverhaal staat echt ból van symboliek. Om te beginnen is daar dat getal van die 153 vissen. Dit lijkt op het eerste gezicht een willekeurig aantal, maar dat getal 153 is naar de inzichten in de Oudheid het totale aantal tóen bekende vissoorten. Met andere woorden: de zending van de apostelen beperkt zich niet langer tot één bepaald volk, maar richt zich nu tot álle mensen op aarde. Het gaat hier dus om de úniversele zending van de kerk. Dat wordt symbolisch nog eens onderstreept door het genoemde aantal van zéven apostelen: Zeven – als symbool voor die universaliteit- en niet twaalf, wat steeds symbool heeft gestaan voor de twaalf stammen van Israël. Jezus zendt zijn leerlingen dus om álle mensen op aarde in zijn naam bijeen te brengen. Een opgave die kán slagen, want óndanks het overweldigende aantal vissen scheurde het net niét.

We zien hier ook een sterke gelijkenis met het roepingsverhaal van de eerste leerlingen, de wonderbare visvangst, waarbij Jezus aan het eind zélf wijst op de tekenwaarde van dit wonder, namelijk dat zij, zijn leerlingen, voortaan ménsen zullen vangen. Nu, aan het einde van het Johannesevangelie wordt hierop teruggegrepen.

Vertaald naar nú: Waar wij in Jezus’ naam de eenheid weten te herstellen en bewaren, waar wij één netwerk weten te vormen waarin geen gaten vallen, daar zal niemand gevaar hoeven te lopen door de mazen te ontglippen. Alle mensen zijn geroepen – niemand uitgezonderd. Jezus heeft ons allen lief, en wij allen zijn genodigd om Hém lief te hebben.

Hém liefhebben, dat is: beantwoorden aan wat Jezus van ons vraagt. Dat is: broederlijk bijeenbrengen in zijn naam, niemand uitgezonderd. Dat is: elkaar de hand reiken en een vangnet vormen voor de kwetsbaren. Dat lijkt in schril contrast te staan met wat we bijna dagelijks meemaken… Soms ook binnen de kerk…

Aan Petrus nu – die visser, de ruwe bolster met die blanke pit, die Jezus recentelijk nog tot driemaal toe verloochende – aan dié wankelmoedige Petrus stelt Jezus vervolgens tot driemaal toe de vraag: ‘Heb jij me lief?’ Gezien Petrus’ pijnlijke verleden een harde confrontatie. Maar Petrus heeft ervan geléérd. Want juist vanwége die louterende ervaring was Petrus nú in staat om hierop volmondig ‘ja’ te zeggen, en wel opniéuw tot driemaal toe, vanuit de grond van zijn hart. Juist daarom krijgt juist hij de opdracht om ons allen als herder voor te gaan.

In Petrus wordt ook aan ieder van ons telkens opnieuw diezelfde vraag gesteld: ‘Heb je me lief?’ Want niet kennis en geleerdheid, maar de band van de liefde tot Jezus is het die ons in staat stelt om zijn Blijde Boodschap uit te dragen in een wereld die vaak zo vijandig staat tegenover de liefde. Dat was al zo in de tijd van Jezus en zijn leerlingen. We hoorden dat zojuist nog in de Eerste Lezing. Maar dat is óók het geval in ónze tijd. Ook wij hebben te maken met weerstand en tegenwerking waar het gaat om het uitdragen van ons geloof. Godsdienst is in onze samenleving gaandeweg naar de marge gedirigeerd als irrelevant. Godsdienst zou behoren tot het privé en niet het publieke domein… Wat een onzin! Hoe kan nu iets wat van wezenlijk belang is in je leven géén rol spelen in jouw staan en functioneren in de maatschappij?

Weerstand bij het uitdragen van ons geloof is soms óók te wijten aan onszélf, aan de ínterne secularisatie binnen de christenheid. Want hoeveel christenen tonen zich vandaag de dag niet verlegen met het céntrale geloofsgegeven van de Verrijzenis van Christus, en haasten zich met veel geleerde praat het verhaal van de ooggetuigen te reduceren tot een ongevaarlijke metafoor, waarbij de vraag naar het al dan niet lege graf op voorhand al als niet-relevant terzijde wordt geschoven?

Het is wat mij betreft een hoogmoedige vooronderstelling dat alles wat wij niet wetenschappelijk kunnen verklaren meteen maar als onzin moet worden afgevoerd! Deze quasi intellectuele vooringenomenheid staat op gespannen voet met het openstaan voor de tekenen van Gods liefde die ons worden aangereikt. De verrijzenis betreft een werkelijkheid die ons verstand ver te boven gaat. We kúnnen niet alles bewijzen, maar worden wél uitgedaagd het te gelóven. Niet zómaar, maar op gezag van het ooggetuigenis van concrete mensen, en van het geloof van talloze gelovigen die ons in de Traditie zijn voorgegaan.

Jezus liefhebben is – ik zei het al – beantwoorden aan wat Hij van ons vraagt. Dat is dus ook: vrijmoedig durven uitkomen voor het geloof in zijn Verrijzenis, Niet als een door de eeuwen veelvuldig opgewarmde, lauwe prak, maar als een verbazingwekkende, prikkelende boodschap die gedragen wordt door Gods Geest, als een waarlijk Blijde Boodschap waarmee we voor de dag mogen komen, júist in deze moeilijke tijden!