Bidden

Preek op de 5e Zondag door het jaar

Zondag 10 februari 2019, jaar C
Door: Frank van Roermund o.praem.

Lezingen: Jesaja 6,1-2a.3-8; 1 Korintiërs 15,1-11; Lucas 5,1-11

In mijn jeugd heb ik vaak gevist. In binnenwateren maar vooral aan zee, in Zeeland waar wij met de familie een vakantiehuisje hadden. Vissen, samen met mijn broers en vader. Héérlijk, in weer en wind aan het strand of vanaf de dijk. Het vissen aan zee was ons van jongs af meegegeven. Onze favoriete stekjes waren soms moeilijk bereikbaar, maar stonden steeds garant voor een goede vangst. Maar een echte visser praat daar niet over, zo leerden wij dat. Informatie over de beste visplekjes geef je niet zomaar prijs. Je geniet van de natuur, in weer en wind, en van elkaars gezelschap. Het zijn voor mij kostbare herinneringen…

Aan dit alles moest ik denken bij de voorbereiding van mijn preek.

Jezus toont zich vandaag – zo lijkt het – ten overstaan van vissers niet echt een kenner. Vissers praten weinig; Jezus spreekt met luide stem. Vissers weten wanneer te werken, bij voorkeur ’s nachts; Jezus zet aan tot vissen overdág. En niet te vergeten: vissers verraden nooit hun favoriete stek, terwijl Hij Simon onverhuld verwijst naar rijke wateren…

De vergelijking met een visser gaat, zo oppervlakkig gezien, dus mank. Maar als we dieper kijken, voorbij de spiegeling in het water; als wij, als een dichter, met ons hart reiken naar de symboliek die áchter al die woorden schuilgaat, dán dringt zich opnieuw die vergelijking op, de vergelijking met een visser, maar nu op gééstelijk niveau.

Zoals binnenwatervissers vóórdat zij hun lijn uitwerpen lokaas werpen in het water, zo spreekt Jezus, voorafgaand aan de vangst, woorden van bevrijding, woorden van God die hele volksmenigten op de been brengen. Aan de oever van het meer wordt het dringen. Jezus’ boodschap voedt de harten van de mensen. Lege diepten veranderen op slag in rijke wateren. Massaal geeft men zich aan Hem gewonnen: de vangst is groot.

‘Vaar nu naar het diepe en gooi uw netten uit voor de vangst’.
Deze woorden sprak Jezus tot Simon, opdat ook híj rijkelijk zou vangen. Vissen éérst, als wonderteken, opdat hij zou vertrouwen op zijn woord: ‘Voortaan zult ge ménsen vangen’.

‘Vaar nu naar het diepe en gooi uw netten uit voor de vangst’.
Deze woorden worden nu vandaag ook tot óns gesproken. Als wij in Jezus’ kielzog durven varen en tot anderen – net als Hij – woorden van bevrijding spreken, elkaar bemoedigen en sterken, dan zullen wij bij die anderen rijke wateren ontwaren, dan zullen wij, door Christus’ Woord, elkaar naar God toe leiden.

Wellicht worden wij hier ook op stille wateren in onszélf gewezen, stille wateren met diepe gronden, waarin wij, als wij goed luisteren, net als Jesaja, Gods stem kunnen horen, de stem van God die roept: ‘Wie moet Ik zenden?’ Ik denk dat God wil, dat wij elkaar dié favoriete stek aanwijzen. Het is de stek die voor ieder van ons garant kan staan voor een rijke vangst, zolang wij maar – zoals Jesaja – God durven antwoorden:
‘Hier ben ik, zend mij!’