Bidden

Preek op de 7e Zondag door het jaar

Zondag 24 februari 2019, jaar C
Door: abt Denis Hendrickx o.praem.

Lezingen: Samuël 26,2.7-9.12-13.22-23; 1 Korintiërs 15,45-49; Lucas 6,27-38

Het gaat vandaag in het evangelie deel dat we gelezen hebben van Lucas over kritische openheid. Het liefdesgebed jegens vijanden komt nadrukkelijk aan de orde. Het zijn moeilijk te verwerken richtlijnen, waar we niet al te gemakkelijk over moeten denken. Het is zelfs een bovenmenselijke opgave als we daarbij concreet denken aan mensen uit onze eigen omgeving, waaraan we een grondige hekel hebben. Erger nog, als we denken aan lieden die we echt onrechtvaardig te werk zien gaan. Om je vijanden en tegenstanders lief te hebben, moet je wel zo groot zijn als God “die immers ook goed is voor de ondankbaren en slechten”. Dan moet je weldoen aan wie je haten, zegenen die jou vervloeken en bidden voor wie je mishandelen. Zo bad Jezus voor wie hem kruisigden: “Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen”. Aan dit uiterste teken van geleefde onvoorwaardelijke liefde weten we, dat het ideaal is en mogelijk. Het liefdesgebod komt ons niet puur van boven overvallen. Het is tevens een verlangen van ons eigen hart en geweten: “Zoals gij wilt dat de mensen u behandelen, moet gij het hun doen”. Want beminnen van vrienden en vriendinnen is geen kunst, hoeveel moeite het overeind houden en ontwikkelen van relaties ook mag vergen. “Ook zondaren beminnen wie hen liefhebben”. De ware liefde is belangeloos. Het is vreugde aan het geven zelf. Mooie woorden maar ze kosten een leven lang trouw zijn, in goede en kwade dagen. “Neen, bemint uw vijanden, doet goed en leent uit zonder er op te rekenen iets terug te krijgen”. Je krijgt er toch iets voor terug: “dat zult gij kinderen zijn van de allerhoogste”. Wie het tot deze moeilijk te verwerven overtuiging gebracht heeft, is tot de zwaarste tegenstander van onrecht en onrechtdoeners uitgegroeid.

Na deze benadering in algemene woorden komt de vraag op wat een en ander eigenlijk betekent voor mij zelf. Kijk ik wel eens naar mezelf, naar de relaties die ik met bepaalde mensen heb: een broer, een zus, een buur, een collega, een medebroeder… waar plak ik, waar plak jij, waar plakken wij bewust of onbewust etiketten, houd ik vooroordelen in stand, houd ik gapende kloven geopend door mijn manier van kijken, waarderen en beoordelen. En kijk ik wel eens naar mezelf: wat voor een bepaald beeld heb ik van mezelf? En in hoeverre klopt dat beeld met wie ik echt zou willen zijn of feitelijk ben.

Beelden die je van jezelf of van een ander hebt: ze zijn zo hardnekkig, ze berusten op een normen en waardensysteem dat door ons mensen zorgvuldig in stand wordt gehouden: oog om oog, boontje komt om zijn loontje, eens een dief altijd een dief…

Het is eigenlijk merkwaardig want wij mensen zijn zowel de makers als ook de slachtoffers van een dergelijke vorm van benadering. Als mens zijn we misschien maar al te vaak geneigd dat het nu eenmaal zo is en zo moet blijven, dat de beelden niet kapotgebroken kunnen of mogen worden. Je kunt er aan gaan wanhopen, ze verzoent je met het onverzoenlijke: er zal altijd wel oorlog zijn, je kunt geen mensen vertrouwen, ik kan er toch niks aan doen. Deze dagen zijn veel ogen gericht op de bijzondere bijeenkomst in Rome. Het slechtste resultaat zou zijn dat er een soort berusting optreedt: zo van “de hele geschiedenis door is er al seksueel misbruik geweest dus…”. Laten we hopen dat de bisschoppen en paus Franciscus zich hier niet achter verschuilen, het kwaad niet alleen benoemen maar ook echte maatregelen nemen die deze grove schending door misbruik uit de wereld helpen. Paulus heeft het vandaag in de Korinthebrief over mensen en over God, die vechten tegen de bierkaai. Er wordt gesproken over beelden van mensen: de oude en de nieuwe, de eerste en de tweede, de aardse en de hemelse. Het beeld van de aardse mens gevangen in chaos; het beeld van de nieuwe mens, die weet van de belofte en daarnaar leeft, die nu al de hemel op aarde weet. Via Lucas geeft Jezus ons vandaag concrete aanwijzingen om als beelddrager van de hemelse wens te werk te gaan: zijn woorden zijn blikopeners om de mens, om jezelf en de ander met nieuwe en andere ogen te zien: met Gods ogen.

Zijn woorden breken grenzen open, waardoor mensen naar elkaar toe kunnen gaan, naar elkaar toe kunnen groeien, ‘hemels’, ‘nieuw’ kunnen worden. Jezus vraagt aan de ene kant iets heel moeilijks, aan de andere kant iets heel moois. Hij vraagt: “willen jullie nu ook eens proberen niet alleen iemand te beminnen die goed is, maar ook iemand die je niet graag mag”. Jezus spoort mensen aan meer te doen dan het gewone. Hij vraagt vergeving en barmhartigheid, twee van zijn goddelijke eigenaardigheden, die hij demonstreerde in zijn omgang met ongelovig volk uit Samaria, tollenaars, vrouwen van de straat, onreine melaatsen en heidenen. Telkens wanneer Hij iemand uit die kringen ontmoet en hem of haar onvoorwaardelijk vergeeft, horen we hoe die er andere mensen van worden, betere mensen, nieuwe mensen. Wie goed doet, God ontmoet.