29-04-2020, Abdij van Berne Heeswijk

Berne bemoedigt, ook in tijden van corona (11): Frits van der Meer

Wat geeft je hoop of vertrouwen in deze moeilijke tijden? Deze vraag wordt op deze website tot en met in ieder geval eind mei beantwoord door tientallen personen die op verschillende manieren betrokken zijn bij de Abdij van Berne.

Middels deze serie wil de Abdij van Berne een eigen bijdrage leveren aan het gesprek over de corona-crisis, mensen bemoedigen en hoop bieden, er zijn voor de eigen achterban en alle andere betrokkenen via website en social media.

Vandaag deel 10: Frits van der Meer, participant van de Abdij van Berne en hoogleraar bij het Instituut voor Bestuurskunde aan de Universiteit Leiden.

Door: Frits van der Meer

De tuindeuren zijn vanwege het mooie weer open. Zo ook mijn raam in de voorkamer. Geen radio- of televisiegeluiden. Heel even in de verte een auto, een schreeuwend kind op straat en ouders die hun kinderen bezighouden in de tuin. Een gevoel van rust en behaaglijke stilte.

Ik werk vanuit huis voor de universiteit en heb veel contact via telefoon, mail en (met meer en minder succes) skype met mijn (avond)studenten en collega’s. De luxe van rust en innerlijke stilte. Het zijn studenten met een baan, die ook van huis uit werken met de kinderen over de vloer, waar ook het onderwijs thuis moet worden gegeven en de kinderen beziggehouden moeten worden. Dat alles soms in een klein appartement, terwijl de energie bij die kinderen eruit moet. Ook kan er dan de zorg om ouders, en anderen in de zogeheten risicogroepen, zijn. Minder gelegenheid voor mantelzorg. Dat geeft dan pijn en een onterecht gevoel van tekortschieten.

Dan heb ik het wel gemakkelijk. Mijn ouders, waarvoor ik een aantal dagen per week bij hen in huis gezorgd heb, naast mijn reguliere leven, zijn in de afgelopen twee jaar in de kring van de familie overleden en begraven. Raar om te zeggen, ook dat blijkt nu een luxe. En toch is er ook nu het gevoel van opgesloten zijn. Dat is meer een psychologisch gevoel dan daadwerkelijk, gegeven de andere vormen van contact.

Toch is daar, vooralsnog, een compensatie: iets meer contact met mensen waarmee dat eerst nauwelijks het geval was, op straat en elders. In het zogeheten corona-tijdperk zien we een uitvergroting van menselijke eigenschappen. Iets wat al meer in het verborgene aanwezig was, wordt sterker en nu, in deze omstandigheden, moest het wel aan de oppervlakte komen.

Wat mij opvalt, en dat is eigenlijk een bevestiging van iets wat ik eigenlijk natuurlijk wel wist: de meeste mensen zijn erg fatsoenlijk, ze deugen, ze zijn invoelend en hebben medegevoel. Natuurlijk gaat dat soms verscholen achter een nukkigheid of gevoelde irritatie, maar ook dat – mits uitgesproken en goedgemaakt – kruidt het leven. Dat positieve oordeel spreken we liever niet uit, want dat staat zo klef, overdreven en pathetisch, maar nu we meer fysieke afstand moeten bewaren en de buitenste laag wat wordt afgepeld, wordt dat momenteel wat minder. Hoe het ook zij, dat is hoopvol en goed om er weer wat meer bewust van te zijn.

Interessant is of dat blijft naarmate de tijd voortduurt en het nieuwe normaal het ‘echte’ wordt. De routine neemt het dan weer over, maar ook met de goede mogelijkheid van onderlinge frictie. Ook dan is er weer geen hemel op aarde. Bomans schreef in zijn boek ‘Pieter Bas’ dat de hoofdfiguur als kind de voorstellingen van een hemel op aarde (de continue aanschouwing van God en de pap op de gouden bordjes) wat saai vond en dat je er wellicht later na het heengaan aan zou kunnen wennen. Maar met een beetje oprechte vriendelijkheid en empathie proberen die onderling solidaire houding te bewaren, dat kan geen kwaad. Een beetje Kerst na Pasen. Dat herinneren zou helpen.