Bidden

Ons gebedsleven

Augustinus, onze regelvader, houdt ons een leven van gebed voor. En zoals overal laat hij ons ook hier weten, dat uiterlijk en innerlijk bij elkaar horen. Dat wanneer wij tot God bidden in psalmen en hymnen, de woorden die wij uitspreken ook in ons hart moeten leven (2e hoofdstuk van de Regel).

Het koorgebed is officium, dienst. Wij zeggen wel dat het de ruggengraat van ons leven is! Het is ons dagelijks gezamenlijk gebed, als broeders en zusters. En als het goed is, dan overstemt bij het reciteren of zingen van de psalmen, “koor tegen koor”, niemand de ander, passen wij ons aan elkaar aan in stemsterkte en adempauzes.

Driemaal daags worden wij zó samengeroepen, voor het koorgebed en ’s middags of ’s avonds, voor de Eucharistie.

Ons koorgebed is dienstwerk, waartoe wij ons verplichten, maar ook een gave, een geschenk. Het bouwt de gemeenschap op, door de Ene, God, die ons hier doet samenwonen, één van hart en ziel (1e hoofdstuk van de Regel). Het gebed helpt ons de arbeid in te gaan en verzamelt ons weer en brengt ons tot rust.

Onze kerken, zegt Augustinus, mogen nergens anders voor gebruikt worden dan voor het gebed. Zodat ieder, ook buiten de vastgestelde uren, er terecht kan.

U bent van harte welkom!