Preek op het Hoogfeest van Christus Koning

Zondag 24 november 2019, jaar C
Door: prior Frank van Roermund o.praem.
Lezingen: 2 Samuel 5,1-3; Kolossenzen 1,12-20; Lucas 23,35-43

Als we Jezus’ leven bekijken, en met name zijn lijdensweg en kruisiging, dan is het duidelijk dat Hij, de Messias, niets weg heeft van een wereldlijke koning. Jesaja sprak ééuwen daarvoor al over de Messias als de Lijdende Dienstknecht. En met Kerstmis vieren wij dat die Messias als een arm en kwetsbaar Kind wordt geboren in een stal! Geen rijkdom, geen pracht en praal, geen heerszucht of machtsvertoon… In geen enkel opzicht dus een wereldlijke koning zoals wij die kennen.

In zijn openbaar leven leren we Jezus kennen als een rondtrekkend leraar, als heelmeester, als herder, als vriend, bij uitstek van armen, verschoppelingen en misdeelden. In Jezus’ dienstbaarheid aan hen, aan ons, wordt Gods liefde ten volle geopenbaard, krijgt God voor ons een gezicht.

Als wij Jezus nu, vandaag, ondanks alle gebrek aan gelijkenis, tóch Koning noemen, dan kunnen we dat alléén vanuit dat geheel andere perspectief, vanuit het perspectief van de liefde, vanuit het perspectief van de dienstbaarheid, dienstbaarheid aan ons en aan God. En een stapje verder: als wij hem, Christus, zó als Koning belijden, en vervolgens zeggen Hem te willen návolgen, dan moeten wij zijn diénaren willen zijn. En Hem dienen is: in Hem geloven als door God gezonden door ook zélf dienaar te zijn van kwetsbare mensen om óns heen, door Gods universele liefde – net als Hij – kenbaar en tastbaar te maken in onze wereld. Gods universele liefde, dat wil zeggen: voor héél de schepping, voor álle mensen op aarde óngeacht cultuur of afkomst.

Zo gezien is Jezus Christus zélf dus een waarlijk Blijde Boodschap voor ieder die Hem in dié goddelijke hoedanigheid herkent: als Koning in dienstbaarheid. En precies dát kenmerkt het verschil tussen de beide misdadigers die naast Jezus worden gekruisigd: de één sluit zich aan bij de spotters, terwijl die ánder – ook al is het op het állerlaatste moment van zijn leven – gelooft in wie Jezus ten diepste is. Hij erkent Jezus als door God gezonden, erkent zijn eigen falen, en vraagt hem om ontferming. Door dit oprecht te belijden op de drémpel van zijn sterven, ontvangt hij de genade om mét Christus zélf te mogen aanzitten in het paradijs. Gods barmhartigheid is – zo blijkt maar weer – véél groter dan wij ons kunnen voorstellen.

Aan ons de vraag: blijven wij steken in de achterhaalde triomfalistische interpretatie van de titel “Christus Koning”, of lukt het ons met liefde die titel te bezien vanuit het perspectief van de dienstbaarheid?