Zondag 4 september 2022

Door: prior Frank van Roermund o.praem.
Lezingen: Wijsheid 9,13-18b; Filémon 9b-10.12-17; Lucas 14,25-33

Ik zou natuurlijk kunnen beginnen te zeggen, dat dit evangelie weer zo’n typische, overdreven retorische tekst is: “Als iemand naar Mij toekomt, die zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn éigen leven niet háát, kan hij mijn leerling niét zijn.” Nou ja! ‘Haten’ – dat is me nogal wat! En dat ook nog ‘ns in relatie tot de mensen die je het meest nabij staan…

Maar… door deze tekst als retoriek te bestempelen lopen we het gevaar de boodschap niet serieus te nemen. Want retoriek heeft in ónze tijd een negatieve bijklank. We moeten echter goed bedenken, dat in de oudheid de retorica, de welsprekendheid, niet op voorhand als negatief werd ervaren. Retorica was en is er in de eerste plaats op gericht om de boodschap die men wil overbrengen zo indringend mogelijk voor het voetlicht te brengen. En daar is natuurlijk niets mis mee.

Ook zou iemand kunnen proberen de boodschap in dit evangelie te relativeren door te zeggen, dat het woord ‘haten’, miséoo in het Grieks, naast ‘haten’ ook ‘zich onverschillig tonen’ kan betekenen, want dan klinkt die tekst ineens veel milder. En natuurlijk, dat is ook zo. Maar – en dáár wil ik naar toe – wie dit evangelie, mét al deze kanttekeningen, oprecht tot zich laat doordringen, zal móeten erkennen dat de boodschap een móeilijke boodschap is…

Jezus navolgen impliceert kennelijk – hoe je het ook draait of keert – dat je Hém op de eerste plaats zet. Belangrijker dus dan ieder ander, ja, zelfs belangrijker dan jezelf. En dat horen we natuurlijk niet graag. Want wij zijn allemaal kinderen van onze tijd, waarin waarden als zelfontplooiing, het eigen welzijn en individualiteit centraal lijken te staan. Tegelijkertijd staan waarden als gemeenschapszin, sociaal engagement en barmhartigheid in onze tijd behoorlijk onder druk, in het bijzonder ten aanzien van minder bedeelden zoals vluchtelingen en asielzoekers. En dat is heel actueel vandaag de dag!

Als we nu – in alle eerlijkheid – al ervaren hoe moeilijk het is, om het belang van de ánder die we kunnen zien en aanraken, hoger te waarderen dan ons eigenbelang, hoezeer zal het ons dan zwaar vallen om Christus die wij niét tastbaar in ons midden hebben nóg weer hoger te waarderen, zelfs hoger dan hen die wij het meeste liefhebben? Ook het boek Wijsheid spreekt hierover rake dingen. We hoorden het zojuist in de Eerste Lezing.

Wat Jezus hier van ons vraagt is dus welhaast onmogelijk. En tóch nodigt Hij ons hiertoe uit. Wie Jezus wil navolgen móet kennelijk bereid zijn zich te onthechten van alles wat hem daarbij kan hinderen. En dit kán haast niet anders dan dat dit pijn doet. Niet voor niets zegt Jezus dan ook: “Als iemand zijn kruis niet draagt en Mij volgt, kan hij mijn leerling niet zijn.”

Jezus bedoelt – ten overvloede – natuurlijk niét dat je je meest nabije familie en vrienden niet zou mogen liefhebben, laat staan haten. Dat zou immers strijdig zijn met het vierde gebod, en met dat éne dubbelgebod waarin de hele Schrift wordt samengevat: “God beminnen en de naaste gelijk jezelf.” Nee, Hij verlangt dat wij Hem méér liefhebben. En dat betekent: je door niets of niemand laten weerhouden om de weg te gaan die Jezus ons wijst, de weg van dienstbaarheid, van de onbaatzuchtige liefde tot God en de naaste. En die weg gaat niet over rozen…

Jezus méér beminnen dan wie ook, getuigt van een zekere radicaliteit. Het is een stap in het ongewisse… En tóch maakt Jezus ons duidelijk, dat een dergelijke radicale levenskeuze juist niét ondoordacht en onbezonnen moet zijn. Hij illustreert dit aan de hand van die twee ingelaste gelijkenissen: over de man die een toren wilde bouwen, en over de koning die ten strijde wilde trekken. Jezus zegt zoveel als: ‘Wéét waar je aan begint!’ Wie denkt die radicale stap te kunnen zetten maar zich onvoldoende voorbereidt, wordt als ‘onwijs’ afgeschilderd. Zo iemand zal bespot worden, net als de man die die toren wilde bouwen maar niet in staat bleek het project tot een goed einde te brengen.

Het is dus geen eenvoudige boodschap die Jezus ons vandaag brengt. Want de vraag dringt zich op of wíj als gelovige gemeenschap in staat zijn Hem te volgen, of ieder van ons afzónderlijk in staat is om Hem te volgen. Zijn wij in staat ons te onthechten van alles wat ons hiervan zou kunnen weerhouden?

Het klinkt misschien gek, maar de urgentie en diepe betekenis van deze vraag dringt juist dán keihard tot mij door wanneer ik sta aan het sterfbed van iemand die ernstig ziek is en bediend wil worden. Als priester maak ik dit regelmatig mee. Mijn vrijheid om te kiézen voor onthechting – gezond en wel – staat op zo’n moment in schril contrast met de onafwendbare nóódzaak tot onthechting bij de stervende. Een doodshemd heeft immers geen zakken… Dat drukt mij met de neus op de feiten. Telkens wanneer ik aan een sterfbed sta neem ik mij weer voor om Jezus’ oproep ook nú al serieus te nemen… En lukt me dat? In alle eerlijkheid: nee, onvoldoende. Maar de vraag houdt me wél bezig. Dat is in elk geval een beginnetje…

Amen.

Blijf op de hoogte met onze nieuwsbrief