Zondag 16 april 2023 – 2e zondag van Pasen

Door: prior Frank van Roermund o.praem.
Lezingen: Handelingen 5,12-16; 1 Petrus 1,3-9; Johannes 20,19-31

Wát een contrasten moeten het zijn geweest voor de leerlingen van Jezus in die roerige laatste dagen in Jeruzalem…! Ook wij hebben dat allemaal meegekregen in de liturgie van de Goede Week en Pasen.

Eerst was daar de intocht in Jeruzalem. Met luid gejuich en palmgezwaai werd Jezus ontvangen. Dé grote profeet, Hij die Messias en Zoon van God werd genoemd, trad nu binnen in de stad der steden waar het allemaal moest gaan gebeuren! Velen verkeerden in de verwachting dat Hij het koningschap van David zou herstellen, dat Hij zou afrekenen met de Romeinse bezettingsmacht, voor eens en voor altijd! Jezus’ hele openbaar optreden stond in het teken van bevrijding, en hiér, in Jeruzalem, zou dit alles tot een hoogtepunt komen. En wat gebeurde er: één grote anticlimax! Hij werd verraden, bespot en als een misdadiger aan het kruis geslagen. Diézelfde dag nog – vóór zonsondergang, werd Hij begraven. Einde verhaal…

Laten we eens probéren ons voor te stellen hoe Jezus’ leerlingen zich moeten hebben gevoeld. Verwarring, ontgoocheling, verlatenheid. En waarschijnlijk ook angst. Angst, dat ook zíj nu niet meer veilig waren. Er was duidelijk sprake geweest van een hetze tegen Jezus. De religieuze leiders hadden tegen Hem samengespannen, zij hadden Jezus, die in hun ogen een godslasteraar was, uit de weg geruimd. En nú was de kans groot, dat die blinde woede zich ook tegen hén zou keren. De leerlingen trokken zich dus angstig terug in hun eigen beschermde omgeving, terneergeslagen, niet wetend hoe nu verder. Achter slot en grendel, de luiken gesloten… Beloken Pasen…

Maar dan komt de ommekeer. Op de derde dag ontdekt Maria Magdalena bij het krieken van de dag het lege graf! Zíj is de eerste die de verrezen Heer ontmoet, en het de leerlingen gaat vertellen. Een ónwezenlijk getuigenis… zéker uit de mond van een vrouw, gezien de culturele verhoudingen in die tijd. Waarom zouden ze haar geloven?

Zojuist hoorden we hoe het verhaal verder gaat. De leerlingen zijn die avond weer bijeen. Zij hebben het getuigenis van Maria wel aanhóórd, maar kunnen het gewoonweg niet plaatsen. Ze zijn bang, en hebben zich opnieuw teruggetrokken achter gesloten deuren. En nú, nu komt Jezus ook op hén toe. En zijn eerste woorden zijn: ‘Vrede zij u’. Geen verwijten om hun onbegrip, maar een liefdevol: ‘Vrede zij u!’ In de ontmóeting met de Heer worden zij vervuld van vreugde en verdwijnen al hun twijfels: Hij leeft!

Maar opnieuw is daar datzelfde probleem als bij Maria, weer diezelfde onmacht: Hoe in godsnaam moeten zij dit aan Thomas vertellen? Thomas was er namelijk niet bij. Zal hij hen geloven? Nee dus. Als zij hem even later vertellen dat zij Jezus hebben gezien, zegt hij: Zolang ik in zijn handen niet het teken van de nagelen zie, en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken en mijn hand in zijn zijde leggen, zal ik zeker niét geloven.’ Met andere woorden: eerst zien, dán geloven. Hoe herkenbaar voor óns… toch? Maar als Thomas er een week later óók bij is en ook zélf de Heer ontmoet dan is uiteindelijk ook zíjn twijfel verdampt. Hij is het écht, in Hem, de Verrezene ontmoet hij de Gekruisigde, zijn doorboorde handen en voeten en zijde tonen het, Hij is één en dezelfde!

Hij, Thomas, die in no time de weg van ongeloof naar geloof heeft afgelegd, legt vervolgens het sterkste geloofsgetuigenis af dat in heel het Johannesevangelie te vinden is: Want hij roept uit: ‘Mijn Heer en mijn God!’ Het is de énige keer dat Jezus direct als ‘God’ wordt aangesproken.

Horende hoe de apostelen tóen – met horten en stoten – zijn omgegaan met die onbegrijpelijke ervaring van Jezus’ verrijzenis, kunnen wij ons de vraag stellen hoe wij omgaan met dat wonderlijke verhaal – nu 2000 jaar later. Redeneren wij het weg omdat we het eenvoudigweg niet begrijpen? Of durven wij ons open te stellen voor het getuigenis van integere, gewone en respectabele mensen, zoals Maria Magdalena, de apostelen en velen uit hun directe omgeving?

De Verrijzenis als céntraal geloofsmoment van het christelijk geloof zal – meen ik – nooit verstandelijk kunnen worden begrepen. Het staat immers buiten élke menselijke ervaring. Het verlangt daarentegen een geloofssprong, juist voor ons, moderne mensen. Het verlangt een houding van bescheidenheid ten aanzien van de reikwijdte van ons verstand. De Verrijzenis, het perspectief op een leven ná de dood, betreft een werkelijkheid die ons verstand vér te boven gaat, en die alleen met een gelovig en nederig hart kan worden verstaan.

Als wij ons in alle bescheidenheid zó durven openstellen voor het ónverwachte, voor het schijnbaar onmogelijke, dan staan wij open voor dit godsgeschenk. Pas dán zullen wij – ook al leven we 2000 jaar later – geloofwaardig kunnen getuigen van de Verrijzenis. En is dát niet de opdracht die wij allen – gedoopten – van Jezus zélf hebben meegekregen: Hém zichtbaar maken, Hém handen en voeten geven in onze wereld van vandaag, door zorgzaam, liefdevol en barmhartig om te gaan met elkaar, door elkaar steeds nieuwe kansen te geven? Op Beloken Pasen klinkt daarom de oproep om de luiken vooral niet sluiten, maar te openen. Onze roeping is erop uit te trekken en te getuigen dat Christus leeft!

Amen.

Blijf op de hoogte met onze nieuwsbrief