Zondag 9 oktober 2022

Door: prior Frank van Roermund o.praem.
Lezingen: 2 Koningen 5,14-17; 2 Timoteüs 2,8-13; Lucas 17,11-19

Voor wat hoort wat…?

In mijn inleiding stipte ik het al even aan: in de Schriftlezingen komen we heel specifieke kenmerken op het spoor van Gods goedheid, Gods genade, die ons op weg helpen om te doorgronden wat oprechte dankbaarheid ten diepste inhoudt. Genade en dankbaarheid. Twee centrale begrippen in zowel het verhaal over de genezing van Naäman uit het tweede boek Koningen als in het verhaal over de genezing van de tien melaatsen uit het evangelie. Welnu, over genade en dankbaarheid wil ik het vandaag hebben. Maar daartoe moet ik eerst dat bijzondere verhaal over de genezing van Naäman wat aanvullen, omdat we zojuist alleen het slot hebben gehoord.

Aan het begin van dat verhaal wordt van Naäman gezegd dat hij een oorlogsheld was en in hoog aanzien stond bij de koning van Aram in Syrië. Deze Naäman nu krijgt een huidziekte. Hij krijgt advies van een meisje afkomstig uit Israël om naar de profeet Elisa af te reizen, naar Samaria in Israël. Bij hem zou Naäman genezing kunnen vinden. Naäman luistert naar de goede raad en, na toestemming van zijn koning, vertrekt hij naar Israël. Hij gaat echter niét zoals het meisje had gezegd naar de profeet, maar naar de koning van Israël, voorzien van een brief en een rijke vracht aan kostbare geschenken. Klaarblijkelijk veronderstelt hij op deze manier zijn genezing voor elkaar te kunnen krijgen. De inhoud van die brief van de koning van Aram aan de koning van Israël blijkt nogal stellig: ‘Ik verzoek u mijn dienaar Naäman van zijn huidziekte te genezen’. Dit schiet bij de koning van Israël in het verkeerde keelgat. Hier is hij niet van gediend. ‘Wat denken ze wel?’ roept hij uit, ‘dat hij, de koning van Israël, een gód is die kan doden en doen herleven?’ Als de profeet Elisa van dit alles hoort, zegt hij tot de koning dat hij Naäman naar hém moet laten komen. En zo gebeurt het. Naäman komt met paarden en wagens naar Elisa en houdt stil bij de ingang van diens huis. Elisa komt vervolgens niet naar buiten maar stuurt een knecht met de boodschap dat Naäman zich zeven keer moet onderdompelen in de Jordaan. Dán zal zijn lichaam weer gezond zijn, dán zal hij gereinigd zijn. Heel onverwacht komt dan die typische reactie van Naäman: hij is niet blij, maar voelt zich diep gekwetst door deze lachwekkend simpele opdracht van Elisa. Hij had kennelijk verwacht en wellicht gehoopt dat die Elisa een ware show zou opvoeren, een openbare healing met veel bekijks. Diep verontwaardigd wil hij onmiddellijk terugkeren naar zijn vaderland, maar zijn knechten slagen erin om hem om te praten. Tegen heug en meug doet Naäman dan schoorvoetend tóch wat Elisa hem had opgedragen – en van hieraf hebben we het zojuist gehoord: hij dompelt zich zeven keer onder in de Jordaan, en jawel, hij wordt genezen!

In dit bijzondere verhaal vallen een paar dingen op.
Ten eerste valt op, dat Naäman zich aanvankelijk hooghartig opstelt door zich niét direct te richten tot die in zijn ogen kennelijk wat minderwaardige profeet uit Samaria, maar zich – met een aanmatigende aanbevelingsbrief in de hand – tot de allerhoogste instantie wendt, tot de koning van Israël. Vervolgens lijkt het erop, dat hij zijn genezing denkt te kunnen kopen door aan te komen met een gigantisch kapitaal aan zilver en goud en gewaden. Maar die vlieger gaat niet op. Want als zijn ontmoeting met de koning op een mislukking uitloopt en hij zich alsnog tot de profeet Elisa wendt, dan blijkt al dat goud en al die poeha volstrekt misplaatst. Hij, Naäman, een vreemde nota bene, een buitenstaander, ontvangt – ondanks alles – genezing van de God van Israël. Zó maar, gratis, zonder noemenswaardige tegenprestatie. Hij hoeft zich alleen maar zeven maal onder te dompelen in de Jordaan. Meer niet.

Genade, Gods goedheid – zo mogen wij dus leren uit dit verhaal – is pure gave.
Genade is gratis en voor niets en onverdiend.
En – heel belangrijk – genade is universeel:
Gods genade beperkt zich niet tot eigen volk alléén,
maar wordt aan iederéén geschonken,
ook aan vreemdelingen en buitenstaanders!

Bovenaan deze preek heb ik de titel geschreven:
VOOR WAT HOORT WAT…
Maar geldt dat ook in dit geval?

Een deel van deze vraag lijkt inmiddels wel beantwoord. Want nee, het ontvangen van genade vereist géén tegenprestaties of voorwaarden vooraf, het verlangt geen rijkdom of status, geen lidmaatschap van een bepaald volk of geloof… Maar betekent dat, dat genade dan helemaal niéts veronderstelt?

In zowel het verhaal over de genezing van Naäman als in het verhaal over de genezing van de tien melaatsen spelen geloof en vertrouwen een centrale rol. Als Naäman zou hebben volhard in zijn verontwaardiging en niet zou zijn afgedaald in de Jordaan, dan zou hij niet genezen zijn. Kennelijk had hij toch énig vertrouwen in de woorden van die profeet Elisa. Kennelijk geloofde hij – diep in zijn hart – dat Elisa niet eigenmachtig sprak, maar sprak in naam van God. Dit wordt door de schrijver van het verhaal subtiel benadrukt door te melden dat Naäman Elisa aanvankelijk niet eens te zién kreeg. Diens woord alléén moest voor hem voldoende zijn. Om dat gelóóf nu – hoe wankelmoedig ook – wordt hij genezen. Om dat vertróuwen wordt hij geheeld van zijn hoogmoed en verandert hij van het ene moment op het andere van een zelfingenomen oorlogsheld in een bescheiden en dankbare gelovige. Ook in het verhaal over de tien melaatsen is sprake van geloof en vertrouwen. En ook hier wordt dat heel subtiel benadrukt doordat zij – Jezus tegemoet tredend – op grote afstand blijven staan en Hem geloven en vertrouwen op diens woord alléén.

Gods genade veronderstelt misschien alleen dit: geloof en vertrouwen in Gods helende liefde. Het veronderstelt ook een open hart dat bereid is om dit gratis godsgeschenk blijmoedig te ontvangen, ongecompliceerd zoals een kind, zonder enige reserve. Alleen dán zal sprake kunnen zijn van oprechte, ongeveinsde dankbaarheid. Dankbaarheid die is ontdaan van elke pretentie tot het kunnen leveren van ook maar de geringste tegenprestatie.

Van de tien gereinigde melaatsen kwam er slechts één terug naar Jezus. Deze ene – een Samaritaan nota bene, een buitenstaander – bleek als enige ook genezen naar de ziel, want hij alleen was in staat om God oprecht te danken vanuit de grond van zijn hart.

Genade als ónverdiende gave Gods, als gratis aanbod aan eenieder die gelooft, leert ons dus inzien wat oprechte dankbaarheid ten diepste inhoudt. En dat is: dat wij met een blijmoedig en onbezwaard hart mogen leven vanuit het besef, dat wij in antwoord op Gods goedheid slechts met lege handen hoeven staan.

Moge het ook ons gegeven zijn zó te leven.

Blijf op de hoogte met onze nieuwsbrief